Tamara

schrijft

Pagina 2 van 19

Het loopt!

Mijn tweede kindje, mijn boek, is morgen precies een half jaar oud. Kinderen van die leeftijd kunnen meestal zitten, omrollen en brabbelen. Mijn boek probeert zelfs al te staan. Wat zeg ik? Het loopt!

Maar liefst 316 exemplaren heb ik verkocht het afgelopen half jaar (vandaag nog 3 stuks). En zoals mijn vader zei: ‘Als je het aantal mensen telt dat jouw boek niet gekocht maar wel gelezen heeft, kom je minstens aan de 500.’ Dat zou best eens kunnen. En met binnenkort 44 exemplaren in 44 bibliotheken moet dat zeker lukken.

Driehonderdvijftien exemplaren vind ik zelf heel veel, maar is dat in meer objectieve zin ook zo? Met die vraag wendde ik mij tot mijn collega-selfpubbers in onze Facebookgroep. Een gemiddelde van 50 boeken per maand voor een (zelf uitgegeven) debuut schijnt dus inderdaad helemaal niet gek te zijn. En als je een tweede boek uitbrengt, gaat het eerste boek ook weer (meer) verkopen, zo was de ervaring. Ja, nou, daar denk ik nog over na.

Sinds mijn verhaal spreekwoordelijk op straat ligt, krijg ik wekelijks reacties. De meeste komen van lezers (BEDANKT LIEVE MENSEN!) maar er zitten ook professionals tussen, uit allerhande werkvelden (OOK BEDANKT!).

Om een beeld te geven van de reacties van professionals van de afgelopen tijd:

Op 24 augustus ontving ik een mail van een bibliotheek in Sliedrecht, met de vraag of ik ook lezingen geef. Echt wel! De afspraak is nog niet definitief maar hopelijk gaat het door.

Mijn boek was al verkrijgbaar via de website van In de Wolken, en op 30 augustus lieten ze me weten dat mijn boek genoemd wordt in hun nieuwsbrief, die naar 6000 mensen gestuurd is. Bijbehorende tekst: Een aangrijpend, zeer persoonlijk boek van Tamara Baars. Open en eerlijk vertelt ze over haar broer Koen, die met een depressie te maken had en uiteindelijk een einde aan zijn leven maakte. Over hoe ze als zus dit immense en plotselinge verlies leerde dragen.

Op 31 augustus kreeg ik een mail van een post-HBO-opleiding, gericht op verliesbegeleiding, met het verzoek een inkijkexemplaar van mijn boek te mogen ontvangen. Nu weet ik niet precies wat bedoeld werd met ‘inkijkexemplaar’ maar ik heb aangegeven waar mijn boek te koop is. Mochten ze hopen op een gratis exemplaar: sorry. Hoezeer ik ook vereerd ben met de belangstelling.

Dat moet ik misschien uitleggen: uitgeven in eigen beheer kost geld. Om man en euro te noemen: ik heb ruim € 5.000 geïnvesteerd. Met liefde en verspreid over de tijd, maar het is veel geld. Om over de tijdsinvestering nog maar te zwijgen. Mijn doel is niet om er rijk van te worden, dan had ik wel iets anders bedacht. Maar als je een appeltaart haalt bij de bakker, krijg je die toch ook niet gratis mee?

Het duurt nog minstens 200 boekverkopen voor ik uit de kosten ben en van geld verdienen is al helemaal geen sprake als je denkt in termen van uurloon (de HRM-er in mij spreekt). Allemaal prima, daar kies ik voor, maar mijn boek al te makkelijk gratis weggeven ga ik dus niet doen. Uitzonderingen daar gelaten.

Op 3 september kreeg ik een bericht van een dame werkzaam in de uitvaartbranche:
Ik las het zaterdag in een adem uit.
Dank je wel!
Bijzonder hoe je feiten, verdriet en hoop deelt in een goed lopend en dito lezend verhaal.
Petje af!

Zij vindt dat er binnen de uitvaartbranche meer aandacht besteed moet worden aan suïcide. Binnenkort organiseert ze daarom een speciale dag met dat thema, waarbij mijn boek op de leestafel komt te liggen. Heel tof! Ik heb haar aangeboden een stapel boekenleggers toe te sturen voor haar gasten, en dat vond ze een goed plan.

Het voelt nog steeds wat ongemakkelijk om te zeggen dat ik trots ben op mijn boek, en op alle reacties die ik krijg. Maar als ik de afgelopen maanden een ding geleerd heb dan is het wel: pal voor mijn boek gaan staan. Niet afzwakken (boekje… eh, heeft het een kabouterformaat ofzo?) of vals bescheiden doen (er zijn vast betere schrijvers dan ik… ja, en?).

Mijn boek, het verhaal van mijn broertje, verdient een plek in alle boekenkasten van Nederland. Omdat het mensen helpt, omdat het bijdraagt aan het verkleinen van het taboe op zelfdoding en depressie en omdat het goed geschreven is.

Jullie merken, ik leer elke dag bij.

 

Verkoopgrafiek, profi toch?

nrc.nada

Afgelopen week heb ik mij een tikje opgewonden. Dat begon op maandag, en daarna liep de bloeddruk elke dag een beetje op. Maandag was het namelijk World Suïcide Prevention Day, maar mooi dat mijn krant, de nrc.next, daar geen enkele aandacht aan besteedde. En zoals ik begreep gold dat voor alle landelijke dagbladen. Ook online kon ik precies nul Nederlandse nieuwssites betrappen op berichtgeving hierover. Jaarlijks wereldwijd 800.000 doden, waarvan rond de 1900 in Nederland. Dat is geen nieuws begrijp ik. Ik snap heus wel dat het onderwerp zelfdoding niet elke dag in de krant kan, maar dat het zelfs op World Suïcide Prevention Day geen aandacht krijgt, daar maak ik me pissig over. Met een klein artikel was ik al content geweest, al verdient het onderwerp mijns inziens minimaal een paginagroot verhaal. Helaas. Dus ik dacht, ik schrijf nrc.next:

Geachte heer/mevrouw,

Hoe is het mogelijk dat nrc.next, dezelfde krant die mij drie jaar geleden vroeg een artikel te schrijven over de zelfdoding van mijn broer, nu geen enkele aandacht heeft geschonken aan World Suicide Prevention Day? Ik weet dat er keuzes gemaakt moeten worden uit het vele nieuws dat de wereld dagelijks aanlevert, maar ik begrijp niet waarom een dag als deze jullie krant niet haalt. Jaarlijks overlijden er wereldwijd 800.000 mensen door suïcide. En dat verdient geen artikel op Wereld Suïcide Preventie Dag? Wat een gemiste kans om bij te dragen aan het bespreekbaar maken en daarmee voorkomen van zelfdoding. En tot mijn ontsteltenis moet ik concluderen dat ik dit bericht ook zou kunnen sturen naar alle andere landelijke dagbladen.

Met vriendelijke groet,
Tamara Baars

In geval van plaatsing van mijn reactie, zou dat binnen drie dagen gebeuren, zo meldde een automatische ontvangstbevestiging. Maar de Opiniehoek bleef verstoken van mijn bericht. En ik snap dat er ook hier gekozen moet worden. Van de 222 brieven die ze deze week kregen, haalden er maar 24 het ochtendpapier. Gemiste kans dat die van mij er niet bij zat. Het is een belangrijk, groot onderwerp. Veel doden, nog veel meer nabestaanden, enorme impact. Natuurlijk, ik realiseer me dat mijn persoonlijke betrokkenheid bij het thema mijn verontwaardigde gemoed heeft versterkt. En toch.

Geen aandacht in de krant voor die ene speciale dag per jaar en mijn reactie op die misser is niet geplaatst. En nu? Zal ik de dame die de afdeling Opinie bij nrc.next aanvoert nog eens een mail sturen? Ik wil het begrijpen namelijk, waarom ze er niets over geschreven hebben. De afwijking om alles en iedereen te willen begrijpen speelt mij wel vaker parten, ook als mensen of dingen volstrekt onbegrijpelijk zijn. Dus toch maar loslaten? En focussen op de mensen en kanalen die begrijpen hoe belangrijk het is dat zelfdoding uit de taboesfeer gehaald wordt?

Op TV is er gelukkig wel aandacht aan besteed. Een prachtig en ontroerend gesprek tussen Jacobine en de in mijn ogen zeer wijze Jan Mokkenstorm, op zondag 9 september, over zijn streven om op nul zelfdodingen uit te komen. Een indringende documentaire van Frans Bromet en Nathan Vos, op maandag 10 september, over vrouwen wiens partner, de meesten volslagen onverwacht, uit het leven zijn gestapt.

Tegen beter weten in keek ik ook vandaag weer in de krant of de Opinieredactie zo verstandig was geweest mijn reactie alsnog te plaatsen. Nada. Wel een artikel over de jaarlijks 100.000 doden door slangenbeten. Begrijp me niet verkeerd, zo wil je ook niet aan je einde komen maar hallo, 800.000 doden door suïcide.

Loslaten en vooral stug volhouden om zelfdoding beter bespreekbaar te krijgen. Laat ik dat maar doen. Zowel voor de mensen met suïcidaal gedrag, als voor de mensen om hen heen, als voor iedereen die tot de groep ‘nabestaanden van’ behoort. Wie weet wordt het ideaal van Jan Mokkenstorm dan ooit realiteit. Helaas zal hij daar zelf geen getuige meer van zijn, omdat zijn tijd op aarde er bijna op zit, zo vertelde hij bij Jacobine. Kanker.

We moeten ergens aan dood gaan, maar nul zelfdodingen en nul doden door kanker vind ik toch een uitermate fijne gedachte. En ach, schijt aan de krant.

Praat erover: World Suicide Prevention Day

113 Zelfmoordpreventie hanteert het als een korte slogan: praat erover. Over suïcide, over suïcidale gedachten. Vooral als je die zelf hebt maar ook als je vermoedt dat iemand in je omgeving daar last van heeft. Laatst las ik op Facebook een reactie van iemand die zei: ik vind de slogan niet fijn, het roept een schuldgevoel op.

Een schuldgevoel dat in je oor sist: als ik er maar meer over gepraat had, was mijn geliefde er niet uit gestapt.

Ik dacht er even over na. Hoewel ik zeker begreep wat ze bedoelde, denk ik er niet zo over.
Praat erover, omdat het kan helpen. Niet omdat het zal helpen. Garantie tot aan de voordeur. Maar het gesprek mijden en het taboe in stand houden helpt zéker niet. Praat erover, omdat niemand het verdient met vooroordelen geconfronteerd te worden als hij of zij suïcidaal is. Of in eenzaamheid te moeten worstelen. Praat erover, omdat nabestaanden van een suïcide niet zitten te wachten op een postume veroordeling van hun geliefde. Dat is nodeloos kwetsend. Weg met het taboe.

Zou mijn broertje er nog geweest zijn als ik vaker dan die ene keer de vraag had gesteld of hij eruit wilde stappen? Ik zal het nooit weten en dat is tragisch. Maar ik sta zonder schuldgevoel achter de aanmoediging van 113: praat erover.

Aanstaande maandag 10 september is het wereld zelfmoordpreventie dag, oftewel World Suicide Prevention Day (WSPD), georganiseerd door de International Association for Suicide Prevention (IASP). Als je de cijfers op de website van WSPD ziet weet je niet wat je leest: ieder jaar wereldwijd meer dan 800.000 doden door suïcide. Elke 40 seconden beëindigt ergens op de wereld iemand zijn of haar leven. Voor elke persoon die eruit stapt zijn er ongeveer 135 naasten die hier onder lijden.

Hoezeer ik me ook uitspreek tegen het taboe op depressies, angststoornissen en zelfdoding, ook ik ben nog niet vrij van terughoudendheid als ik iemand tref die ‘raar’ is. Daar werd ik me gistermiddag weer eens bewust van. Toen ik terugliep van de prachtige boekhandel in Zwolle, Waanders in de Broeren, naar het conservatorium waar ik aan het werk was, zag ik een man die niet helemaal in orde leek. Ik gok 50 jaar oud, een gele plastic Jumbotas in de hand, een lange lichtbruine jas over zijn schouders die om hem heen wapperde in het aangename briesje. Op zijn bovenlip een jaren ’70 snor. Hij zag er weliswaar gedateerd maar zeker niet onverzorgd uit. Ik hoorde dat hij tegen een stel aan het mopperen was: ‘Maakt niet uit hoor, dat ik niet uitgenodigd ben, ik koop zelf wel een taartje!’ Het stel keek ongemakkelijk en liep door.

Ondertussen naderde ik de man en hij ving mijn blik. ‘Of ik bak zelf iets, is nog goedkoper ook. Of ik haal een keizerbroodje. Kost vijftig cent, bij de Coop. Fijn personeel daar trouwens, vooral de bedrijfsleider’, vertelde hij aan mij en de rest van de stad. Ik glimlachte vriendelijk, hoopte ik. Ik wendde mijn blik af, de man liep al pratend verder en ik ging het conservatorium binnen, me afvragend wat er met de man aan de hand zou zijn. Wat had ik moeten doen? Een praatje aangaan? Als ik al zou durven. Ik hoopte dat zijn eventuele problemen mild zouden zijn.

Deze man was natuurlijk een onbekende voor me. Anders is het wanneer het met iemand uit mijn eigen kring niet goed lijkt te gaan. Daar zou ik wel naar vragen. Vaker dan een keer. Ook als het die ene vraag zou betreffen. Praat erover.

Er is liefde die niet sterft

Binnen 24 uur nadat mijn broer overleden was, moesten we nadenken over dingen als een kist, een tekst op de rouwkaart en de kleren die hij aan moest. Ik had over al die dingen wel een half jaar na willen denken, of beter nog: helemaal nooit, maar dat behoorde niet tot de mogelijkheden. Dus daar zaten we, aan tafel, met een map vol plaatjes van kisten en diverse modellen rouwkaarten. Over de prijs van de kist die we kozen zei mijn vader: ‘Als ik bij de Gamma een paar vurenhouten planken haal, timmer ik voor zes tientjes een minstens zo mooie kist in elkaar.’ Hij was ooit timmerman. Niet dat het hem om het geld te doen was, maar om de bizar hoge prijs van een voorwerp dat al die euro’s gewoon niet waard was. We bestelden het onding toch maar via de uitvaartonderneming.

Dan de tekst op de rouwkaart. Mede omdat mijn vader een liefhebber is van de teksten van Toon Hermans, sloeg ik een boekje uit zijn boekenkast open met allerhande versjes en gedichtjes van Toon. Toeval of niet, ik kreeg direct de pagina voor me met daarop de volgende tekst:

Zoals de dag
uit de nacht treedt
treedt het leven
uit de dood
er is liefde
die niet sterft

Ik liet het mijn ouders zien en de beslissing was snel gemaakt: op de rouwkaart.

Enkele maanden later kreeg ik van een coach waar ik gesprekken mee voerde ten tijde van het overlijden van Koen, een prachtig boekje opgestuurd, getiteld: Vingerafdruk van verdriet, door Manu Keirse. Op de eerste bladzijde stond precies datzelfde gedichtje van Toon.

Het boekje van een schrijver van wie ik tot op dat moment nog nooit had gehoord, bleek van bladzij tot bladzij herkenning op te roepen. En ook erkenning. Voor dat wat ik voelde na Koens dood, en dat dat niet raar was of abnormaal. Het hoorde er allemaal bij, er was zelfs een boekje over verschenen door iemand met verstand van zaken. Ik werd niet gek dus.

Via Facebook ontdekte ik vorige week dat Manu Keirse op televisie zou komen, bij De Verwondering. Een herhaling van een eerdere uitzending.

Ik luisterde naar de man die me raakte met zijn zachte en toch zulke rake Vlaamse woorden. Opnieuw voelde ik me erkend. Nu in de fase waarin ik met het verdriet heb leren leven. Hetgeen overigens niet wil zeggen dat dat nooit meer inspanning behoeft, integendeel.

Wat me vooral trof was dat Manu Keirse zei: ‘In mijn nieuwe boek heb ik het woord verwerking verbannen.’ Ik riep bijna tegen het televisiescherm: wat goed! Ik heb me namelijk nooit kunnen vinden in het woord ‘rouwverwerking’, hoe gangbaar ook. Alsof het verdriet ooit op is, klaar. Nee. Je leert het dragen, en dat is echt iets anders. Soms til je het relatief makkelijk met je mee, en soms wordt het je te zwaar en moet je de last even neerzetten en er bij stilstaan. Keirse vergelijkt rouw met je eigen schaduw. Je schaduw is altijd bij je, soms zie je ‘m even niet omdat-ie achter je valt. Maar dan loop je de hoek om en is-ie opeens weer recht voor je.

Dat mijn liefde voor Koen niet samen met hem is gestorven vond ik eerst ingewikkeld. Want waar laat je die liefde als de persoon in kwestie dood is? Het leek wel liefdesverdriet, alleen duizend keer heftiger. Nu weet ik dat die pijn genegenheid is. Maar wees gerust: er zijn dagen dat de liefde voor mijn broer me gestolen kan worden. Gratis af te halen, in cadeaupapier. Dat zijn de momenten dat mijn schaduw recht voor me valt.


Ik nodig je uit om het hele interview te bekijken en beluisteren, maar bij weinig tijd in ieder geval de twee minuten tussen 3min10sec en 5min10sec.

Het resultaat van een depressiebehandeling

Een vriendin appte me onlangs het bericht over de maatregel van Menzis, inzake het vergoeden van de kosten voor de behandeling van depressie. Ze appte erbij: jij hebt hier vast een mening over. Dat leek mij ook, toen ik de titel boven het artikel zag: Menzis vergoedt depressiebehandeling op basis van resultaat. Maar toen ik het nieuwsbericht gelezen had, bleef een mening uit. Daarvoor moet je ten slotte begrijpen wat er bedoeld wordt, en ik begreep het niet. Behalve dan dat er op de centen gelet moet worden. Maar hoe de maatregel van Menzis daaraan bijdraagt? De regeling betreft mensen met niet-chronische depressieve klachten waarvoor minder dan een jaar behandeling nodig is. Wat is niet-chronisch en hoe weet je of het wel of niet chronisch is op het moment dat je hulp zoekt?

Ik stuitte op een filmpje van Pieter Derks, waarin hij voor de radio het idee van Menzis genadeloos en geestig neersabelt. En ik las een column van Myrthe van der Meer (schrijfster van twee psychiatrische romans: PAAZ en UP, aanraders), waarin ze – weliswaar redelijk genuanceerd maar toch – de maatregel van Menzis eveneens zeer kritisch ter discussie stelt. En ik? Ik snapte nog steeds de bedoeling (en de praktische werkwijze) niet van de maatregel. Dus ik besloot de site van Menzis er op na te slaan. Dat hielp niet, verklap ik vast.

Ik lees dit:

We kiezen voor een aanpak waarbij resultaat beloond wordt in plaats van het aantal behandelingen. Dit betekent dat behandelingen altijd worden betaald en zorgaanbieders extra financieel worden beloond als de uitkomst voor de patiënt beter is.

Daar kun je niet tegen zijn. Dus de patiënt kan gewoon zijn behandelingen blijven declareren, ook als het langer dan een jaar duurt? Prima. En de zorgverlener krijgt eventueel een extra zakcentje als de patiënt binnen een jaar gelukkig (met een ‘betere uitkomst’… whatever that may be) het pand verlaat? Hoe gaat Menzis dan voorkomen dat zorgverleners alleen ‘makkelijke’ patiënten in behandeling nemen? Of al te snel de diagnose ‘niet-chronisch’ stellen?

Ik lees dit:

“In de te maken afspraken staan uitkomsten van zorg die voor patiënten van belang zijn centraal”, legt Bas van Riet Paap, manager GGZ bij Menzis, uit. “Denk aan klachtvermindering, klanttevredenheid, reductie van wachttijden en het verbeteren van de kwaliteit van leven. De zorgaanbieders worden voor dát soort verbetering beloond in plaats van enkel het aantal behandelingen. Daarnaast worden de uitkomsten aan verbetertrajecten gekoppeld. waarbij de GGZ-specialisten elkaar helpen de zorg steeds verder te ontwikkelen.” Inmiddels hebben 18 GGZ-organisaties zich aangemeld voor deze werkwijze.

Op zich mooi, want de lange wachttijden binnen de GGZ zijn té idioot voor woorden. Levensgevaarlijk ook. Voor wie daar meer van wil weten: check deze informatiekaart. Maar hoe draagt de maatregel van Menzis bij aan de verkorting van de wachttijden? Er zijn 18 GGZ-organisaties die zich aangemeld hebben. Dus je zou denken: zij zien er heil in. Of kunnen ze niet anders? Een manager van zo’n GGZ-organisatie zegt:

“Door samen en open te werken aan betekenisvolle uitkomsten voor de patiënt kunnen we meer dan ooit van waarde zijn. Wanneer professionals over instellingen heen bij elkaar in de keuken kijken, behandelingen vergelijken en van elkaar leren, kunnen we sneller en beter verbeteren. Dit is iets wat de patiënt én de zorg regionaal en landelijk ten goede komt.”

Als instellingen beloond worden voor de kwaliteit van de behandeling, gaan ze ‘dus’ bij elkaar in de keuken kijken? Doen ze dat nog niet dan? Mijn voormalig psychiater had intervisie-bijeenkomsten met collega’s, zo vertelde hij me eens. Is hij een uitzondering en werkt de rest van de geestelijke gezondheidszorg knus op hun eigen eiland? Geen idee.

Een manager van Menzis legt uit: “Als een GGZ-instelling het beter doet dan vooraf ingeschat, dan worden zij beloond. Daardoor wordt er betere zorg geleverd voor elke besteedde euro. Dat principe lijkt vanzelfsprekend maar tot dusver werkte het zorgstelsel niet zo.”

Hoezo beter dan vooraf ingeschat? En beter dan wat of wie? En hoe wordt dat gemeten? Welke criteria gelden er?

Begrijpen Pieter Derks en Myrthe van der Meer het allemaal wel, en zijn ze daarom zo kritisch?

Het is verleidelijk om in de Calimero-houding te schieten bij dit soort berichten: die grote boze zorgverzekeraar denkt alleen aan geld en niet aan de kleine hulpeloze mens achter de depressie. Maar ik beheers me, want ik begrijp het gewoon niet goed genoeg om een gefundeerde mening te kunnen vormen.

Dus Menzis, ik nodig jullie van harte uit om het nog eens glashelder aan mij (en de rest van Nederland, in het bijzonder jullie al dan niet chronisch-depressief verzekerden) uit te leggen. Desgewenst kom ik persoonlijk langs, schrijf jullie uitleg eigenhandig op en dan mogen jullie mijn artikel gratis op je website plaatsen.

Graag gedaan!

« Oudere berichten Nieuwere berichten »

© 2019 Tamara

Thema gemaakt door Anders NorenBoven ↑