Tamara

schrijft

Maand: januari 2015

Leven

Afgelopen week was me het weekje wel, om het maar eens met een understatement samen te vatten. Ja, dan doel ik op Charlie Hebdo en alle andere daarmee verband houdende ellende in Frankrijk. Niet te bevatten. En privé kwam er ook één en ander voorbij. Ziekte in de familie van Roel, ziekte in mijn familie. Zorgen, emoties. Ondertussen moest ik ook nog flink aan de bak op het werk omdat we een nieuwe directeur zoeken. Na een hele dag gesprekken voeren met een aantal kandidaten reed ik vanuit Enschede terug naar huis. Eerst verdwaalde ik in het centrum, ja dat kan (ik wel) maar al gauw bereikte ik de snelweg en zette de radio aan. De DJ sprak over ‘de gebeurtenissen in Frankrijk’ en ik wist direct: er is opnieuw een berg stront aan de toch al ontzettend besmeurde knikker. Weer doden, weer angst en ongeloof. Om een profeet te wreken waarvan ik zeker weet, als hij al bestaan heeft, dat hij dít nooit voor ogen heeft gehad. In de auto luisterde ik een uur naar de radio. Bij ‘Thunderstruck’ draaide ik de volumeknop flink open en bij het nieuwsbericht weer naar een gepast volume. Zo gaat dat dus. Alles bestaat naast elkaar.

Gisteravond ging ik met mijn moeder naar een voorstelling van Slagerij van Kampen in Musis Sacrum. Al bij de eerste slagen op de drums moest ik me bedwingen niet juichend op te staan en als een gek mee te springen. Ik heb me beheerst en bewoog slechts mijn voet op het ritme van de trommels. Het was niet alleen de muziek maar ook de muzikanten die maakten dat ik gegrepen werd door het geweld van het slagwerk dat zonder genade over de hele zaal werd uitgestort. Twee vrouwen, twee mannen, aangevuld met een drietal blazers en nog een extra muzikant die ik drums, toetsen en basgitaar zag en hoorde spelen. Zelden zag ik zoveel plezier, enthousiasme en gedrevenheid bij een groep muzikanten. De saamhorigheid en levenslust waren voelbaar aanwezig. Ik bedacht me dat er landen zijn waar muziek maken verboden is, al helemaal voor vrouwen. Ik bedacht me dat het zo maar zou kunnen gebeuren dat er een paar randdebielen met kalashnikovs de zaal binnen zouden stormen. En ik bedacht me juist daarom hoe belangrijk het is NU te doen wat ik wil doen. Leven, genieten van wat er is, geëmotioneerd zijn over de ellende die onlosmakelijk met het leven op deze wereld verbonden is. In het klein en dichtbij, in het groot en ver weg. Ik ga weer schrijven. Kleine blije stukken, grote verdrietige stukken. We hebben alleen het hier en nu.

Weer werken

Juni 2008
Koen is drie weken dood. Met benen als puddingbroodjes loop ik het stenen trapje af, de tuin in. Ik loop richting mijn fiets die onder een afdakje staat achterin de tuin. Mijn tas is gevuld met lunchboterhammen, mijn agenda en telefoon. Alsof er niets gebeurd is. Ik gedraag me zoals ik deed voordat Koen dood was. Al weet ik niet zeker hoe dat er toen ook alweer uit zag. Ik open de schuttingdeur, manoeuvreer mijn fiets en mezelf naar buiten en sluit de deur achter me. Een kwartiertje fietsen naar mijn werkende leven. Het zonnetje schijnt, een jas is niet nodig ook al is het nog vroeg. Ik steek de weg voor ons huis over en rijd over het rode fietspad de wijk in. Mijn handen klemmen om het stuur, mijn voeten trappen de pedalen rond. Ik zie vier ledematen. Waarom voelt het dan alsof er iets mist? Een been, een arm of misschien wel de helft van mijn hoofd? Ik kijk naar links en rechts, alsof ik daar ga vinden wat ik zoek.

De school waar ik werk staat er nog. Net als drie weken geleden, toen de wereld nog normaal was. Ik herken het gebouw tot mijn verbazing. Toch voelt het anders. Ik parkeer mijn fiets op mijn vertrouwde stek en loop het schoolgebouw binnen. Hoe zullen mensen reageren? Wie weet het eigenlijk, en wie niet? Als ze het niet weten, kunnen ze het ongetwijfeld aan me zien. Dat kan niet anders. Het gemis en de pijn zijn zo groot dat het onmogelijk is dat iemand daar langs op kijkt. Toch gebeurt het. Ik passeer plukjes studenten. Niemand kijkt op of om, niemand die iets speciaals aan mij ziet. Mijn benen voelen nog steeds licht, alsof ik niet echt de grond raak. Alsof ik niet echt deze wereld aan kan raken, een wereld die de mijne niet meer is. Ik passeer de loopbrug die het hoofdgebouw met het middengebouw verbindt. Ik loop langs de postkamer met de conciërge en zeg hem gedag. Hij groet terug. Nog één trapje af en dan loop ik onze afdeling op. Vrijwel direct word ik opgevangen door collega’s. Ze vragen hoe het met me gaat. Wat kan ik zeggen? Klote. Beroerd. Ziek. Even later komt er een collega van een andere afdeling de gang op lopen. Hij ziet me staan, geeft een joviale klap op mijn schouder en zegt: ‘Zo, ben je er weer? Wat erg zeg, van je broer’. En hij loopt weer door. Van verbazing mompel ik een halfslachtig bedankje. Ik neem plaats achter mijn bureau en vraag me af wat ik hier in godsnaam kom doen. Ik herinner me wat ik vroeger deed, hoe ik het vroeger deed. En besluit dat dan ook nu maar te doen. Computer aan, eerst mijn mailbox checken. Daarna bijgepraat worden door collega’s.

Mijn concentratie is slecht. De mails die ik lees komen half binnen en geen enkele vind ik eigenlijk de moeite van het oppakken waard. Wat is nog wel de moeite van het investeren waard? Ik voel geen enkele motivatie of beleving bij welk onderwerp dan ook.

© 2019 Tamara

Thema gemaakt door Anders NorenBoven ↑