Tamara

schrijft

Praat erover

Als ik iets geleerd heb in de veertien jaar na Koen, is dat het verdriet altijd bij je blijft. Da’s een opgewekte constatering of niet? Toch is het minder dramatisch dan het klinkt. Na al die tijd ben ik goed geoefend geraakt in het verdriet dragen en ermee dealen als het zich weer eens, meestal onverwacht, aan me opdringt. Ik koester het, want het zegt me dat ik nog steeds van mijn broertje houd. Hij blijft dus altijd bij me, daar durf ik nu op te vertrouwen. Al had ik het wel een heel stuk gezelliger gevonden als hij niet alleen in mijn hart maar ook bij mij op de bank had gezeten.

Moeten we het nu telkens over die rouw hebben? Absoluut. Omdat iedereen het vroeg of laat gaat meemaken. Daarom vind ik die campagne van Sire zo goed. Praat erover, niet er overheen. Op de website staan een paar prachtige dooddoeners (love de woordspeling) die mensen in de rouw vaak te horen krijgen. Zo zei iemand ooit tegen me: ‘Je moet toch verder.’ En ik dacht: ‘IK MOET GODVERDOMME HELEMAAL NIKS.’ Vermoedelijk heb ik enkel iets instemmends gemompeld. Te overvallen door de goedbedoelde maar oh zo domme aansporing. Verder met een dood broertje, hoe dan?

What doesn’t kill you, makes you stronger. Ook zo’n leuke. GELUL lieve mensen. Hoewel ik me nu een stuk steviger voel dan in de periode kort na Koens overlijden, ben ik er zeker niet ‘sterker uitgekomen’. Dat klinkt sowieso of zo’n verlies een zegen is, my ass. Tuurlijk heb ik er dingen van geleerd. Maar sterker geworden? Welnee. Wijzer, hooguit.

Aan rouw zit geen einddatum. Vraag dus ook een paar jaar na het verlies aan iemand hoe het nu gaat, stuur een kaartje op de sterfdatum, vermijd het onderwerp niet. Want ik denk al veertien jaar lang elke dag aan Koen, ook als niemand het erover heeft. Overigens ben ik gezegend met een omgeving die niet bang is om over mijn broertje te beginnen of mij een appje te sturen op 9 mei.

Dat het een lastig onderwerp is begrijp ik. De dood. Rouw. Ik ben er ook niet dol op. Krijg al buikpijn bij de gedachte dat ik mijn laatste begrafenis in dit leven nog lang niet gehad heb. Dat het aantal en de frequentie alleen maar zal toenemen. Een blog schrijven als deze maakt me licht nerveus. Als ik maar niks over mezelf of al mijn dierbaren afroep, dat idee.

Toch ga ik er zondagochtend over praten. Op de radio zelfs.

Geen beschrijving beschikbaar.
Bron: website Sire

Voor het slapengaan

Ze zit in kleermakerszit bovenop haar roze-wit gestreepte dekbed. Tandjes gepoetst, pyjama aan. Tijd om te gaan slapen. Maar we maken niet veel haast, het is vrijdagavond.

Uit het niets vraagt ze: ‘Hoe heette dat ook alweer wat ome Koen had?’

‘Een depressie en waarschijnlijk ook een angststoornis.’

‘Dat heb jij ook toch?’

‘Een angststoornis ja, maar door de pillen voel ik me prima.’

‘Nou, je bent toch heus nog weleens moe ofzo?’ zegt ze quasi-kritisch. Ik lach en antwoord bevestigend.

De klok wijst ruim voorbij 9 uur aan, maar dit zijn geen gesprekjes om af te kappen. Het onderwerp is nog niet klaar. Er komen meer vragen, ik zie het aan haar nadenkhoofd.

‘Hoe wist je dan dat-ie dat had?’

‘Dat heeft een dokter nooit echt vastgesteld maar ik kon het lezen in zijn afscheidsbrief.’

‘Was dat die brief van: als jullie dit lezen ben ik dood?’

‘Ja, dat was de eerste zin van zijn brief. En hij schreef nog wat meer uitleg.’

‘Waar is die brief nu?’

‘Die heb ik hier.’

‘Waar dan?’

‘In een map.’

‘Die wil ik weleens lezen. Ik ben benieuwd naar zijn handschrift.’

‘Het is een getypte brief.’

‘Maar hoe weten ze dan dat het zelfmoord was en geen moord?’

‘Je bedoelt dat iedereen die getypte brief geschreven kan hebben?

‘Ja.’

‘Dat heeft de politie heel goed onderzocht, dat doen ze altijd bij zelfmoord.’

‘Dus ze weten 100% zeker dat het zelfmoord was.’

‘Ja, dat weten ze zeker.’

Ze vraagt ook nog een keer naar de manier waarop. Daar antwoord ik kort op. Nare details probeer ik te vermijden, maar ze is niet gek dus er omheen draaien is zinloos. Ik schrijf het hier niet op, omdat het een trigger kan zijn voor mensen met suïcidale gedachten.

‘Hoe is hij gevonden dan?’

‘Door de bovenbuurman. Die woonde boven ome Koen.’

Vera schiet in de lach en steekt haar handen in de lucht: ‘Oh ja, woonde die boven hem?’

‘Je verwacht het niet hè, van een bovenbuurman?’ We lachen er samen om.

‘Maar hoe ging het dan?’

Ik vertel over hoe de buurman Koen gevonden heeft. Ze luistert aandachtig en vraagt door. Ik vertel haar wat ze wil horen zonder uit het oog te verliezen dat ze negen jaar is.  

‘Ik ben wel blij dat ik hem niet gekend heb want ja, ik vind het wel heel erg enzo maar als je weet hoe die persoon was dan ben je er ook verdrietig over als-ie er niet meer is.’

‘Klopt. Je vindt het nu wel heel erg maar je hebt niet hetzelfde verdriet als ik.’

‘En hoe reageerde jij toen je het hoorde?’ Ik vertel over het bezoek van de politieagenten. Hoe Hans me vertelde wat er gebeurd was. En dat ik een paar keer achter elkaar zei: ‘Het is niet waar.’

Vera zet subiet een fout Marokkaans accent op en roept: ‘Wat iez dat, geloof jij de polizie niet ofzzo?’

Ze lacht er zelf hard om en ik doe mee. ‘Ik zit hier iets serieus te vertellen en jij maakt er grappen over’, zeg ik, nog steeds lachend. Hoe komt ze eigenlijk bij dat gekke accent?

Ze pakt de draad weer op.

‘En wat gebeurde er toen?’

‘Ik viel bijna om en papa ving me op en zette me in de stoel.’

‘Echt?’

‘Ja.’

‘Moest je ook huilen?’

‘Ja.’

‘Ik heb weleens een lijstje gezien met een top 10 van maaltijden die mensen eten voor ze de doodstraf krijgen.’

‘Wat een gezellige onderwerpen bespreken wij.’ We grinniken. Vera switcht nog even vlot naar een serieuze bespiegeling op dit onderwerp: ‘De doodstraf, dat is toch niet goed. Dan leren ze er nog steeds niks van.’ Weet ze zeker dat ze later iets met dieren wil gaan doen? Ik voorzie een plek bij justitie.

De klok tikt verder maar ik geloof dat al deze vragen niet te scharen zijn onder het fenomeen ‘tijdrekken voor je naar bed gaat’. Iets waar dochterlief ook zeer bekwaam in is. Nee, dit is anders. Het is nog steeds niet klaar. Ik blijf zitten en kijk haar aan.

‘Hoe lang kenden papa en jij elkaar al toen het gebeurde met ome Koen?’

‘Een jaar en vier maanden.’

‘Waar kenden jullie elkaar van?’

Ik vertel hoe dat ongeveer ging en sluit af met: ‘En toen was het aan.’

Vera grijnst en ik voel weer een grap aankomen. ‘En nu is het uit.’ Haar ogen tranen van haar eigen geintje. Ze steekt me aan met haar slappe lach. De voorliefde voor zwarte grapjes zit er al vroeg in. Niks meer aan doen.

Het is half 10 en ze is uitgevraagd. Voor nu.

Ik zeg dat ze me hier altijd van alles over mag vragen. ‘Jahaa. Dat zeg je al tegen me vanaf mijn vijfde.’ Oké, duidelijk.

Welterusten lieve, nieuwsgierige, wijze dochter van me. Tot het volgende vragenvuur.

Denk je aan zelfmoord of maak je je zorgen om iemand? Praten over zelfmoord helpt en kan anoniem via de chat op www.113.nl of telefonisch op 113 of 0800-113.

Lichter

Het is geen kwestie van je gewoon niet zo druk maken. Genoeg ontspannen. Het is geen kwestie van jezelf stevig toespreken dat het allemaal nergens voor nodig is. Dat je je aanstelt, desnoods. Je wéét dat je iets voelt wat gebaseerd is op niets, je wéét dat er eindeloos veel mensen op deze aardbol zijn die echt reden hebben om bang te zijn. Die wetenschap helpt echter niet. Met een emmer frustratie als icing on the anxiety cake tot gevolg.

Waar ik dan bang voor was? Voor niets in het bijzonder. Het is geen gerichte angst. Het is ook geen fobie, zoals pleinvrees of hoogtevrees. Ik lijd niet aan een minderwaardigheidscomplex, ben niet onveilig gehecht en zelfs de zelfdoding van mijn broer, hoewel uiteraard nergens goed voor, staat er los van. Werk bleek wel een dikke trigger deze keer. Trok ik normaal hooguit een wenkbrauw op bij een mail met moeilijkheden waarna ik over ging tot professionele actie, nu raakte ik nagenoeg in paniek.

Nergens bang voor, maar vanaf het openen van mijn ogen in de ochtend was het er. De stress, het weeïge gevoel in mijn buik, een ademhaling die nauwelijks lager ging dan mijn decolleté. Mezelf overeind houden. Alle energie ging er naar toe. Mijn kind mocht niets merken, ik was gewoon aan het werk, mijn huishouden hield ik op orde. Haren kammen, mascaraatje op en hopen dat de dag snel voorbij zou zijn. Mijn hele systeem riep: LAAT. ME. MET. RUST. In plaats daarvan deed ik normaal. Ik voerde een eindeloos vermoeiend toneelstuk op. Na dik anderhalve maand besloot ik daarmee op te houden. Ik nam opnieuw mijn medicatie en binnen drie dagen was ik er weer. Ongelooflijk.

Sommige mensen met een gegeneraliseerde angststoornis zijn gebaat bij therapie, al dan niet in combinatie met medicatie. Ik heb dat ook geprobeerd, jarenlang, in allerlei varianten. Bedrijfsmaatschappelijk werkers, psychologen, haptonomen, ik leerde dingen van ze waar ik tot op de dag van vandaag profijt van heb. Maar de angst ging nergens heen.

Meer sporten, gezond eten. Ook die optie heb ik nog een keer afgestoft de afgelopen periode. Een maand nadat ik gestopt was met mijn medicatie, het was half mei, ging ik op de weegschaal staan. Het pillenstoptraject leek geslaagd, dus tijd om de coronakilo’s ook eens recht aan te kijken. Het cijfer dat de weegschaal onder mijn neus wreef, gaf me een gigantische schop onder mijn ietwat uitgedijde reet en de afgelopen vijf maanden ben ik bijna acht kilo afgevallen. Hoewel ik me daar een stuk beter bij voel, deed het precies helemaal niets voor mijn angststoornis. Mijn broekriem gaat drie gaatjes strakker, ik huppel lichtvoetiger de trap op, maar het monster liet zich niet insnoeren en bleef me stoïcijns vergezellen. Ik voelde me er alsnog loodzwaar door.

Sinds een krappe zes weken slik ik het spul weer. En ik ben in die periode minstens twintig kilo lichter geworden. Wat de weegschaal ook zegt.

Tussenstand

Toen ik mijn vorige blog schreef wist ik het eigenlijk al. Klaar was ik ermee. Met mezelf alle dagen van de week overeind houden en de dag doorslepen, en blij zijn als het een dag ‘wel ging’. Ik heb het vijf maanden geprobeerd zonder pillen. De eerste drie maanden leken goed te gaan. Maar heel venijnig nam het angstmonster weer bezit van me. Steeds een beetje nadrukkelijker. Net zo lang tot al mijn energie er voorbij de bodem aan op ging en mijn hele zelf overheerst werd.

En dus begon ik maandag 20 september toch weer met medicatie. Tot mijn stomme verbazing merkte ik al na een paar dagen opvallend veel verschil. Met nota bene de helft van mijn oorspronkelijke dosering, eigenlijk bedoeld als opbouw. Man, wat een opluchting. Geen tranendal meer in de ochtend, geen hartkloppingen meer, geen buikpijn meer en bijbehorende stoelgang (excusez, maar het is wat het is), geen nachtelijk gepieker om zinloze zaken, weg met de energievretende onrust. Eindelijk weer onderweg naar een normale concentratie, een gevoel van kracht en stevig in het leven staan.

Kortom, ik voel me weer zo goed als mezelf. Het monster zit verschrompeld in een hoekje van mijn bovenkamer. Af en toe steekt het nog een poot naar me uit en brengt me licht aan het wankelen. Maar me zo hard raken als de afgelopen weken lukt niet meer.

De huisarts noemde het moedig dat ik een poging had gedaan van de pillen af te komen. Een goede vriendin merkte pragmatisch op dat ik nu de vraag ‘Wat als… ?’ kon afvinken. Fijn, die bemoediging en relativering, want zelf vond ik het bij nader inzien een vrij domme actie, dat hele afbouwen. Lekkere ellende had ik over mezelf afgeroepen. Onzin natuurlijk. Al was het maar omdat ik nu wellicht met de helft van mijn oude dosering af kan. Dat had ik anders nooit ontdekt. De komende weken zal blijken of bijstelling naar boven nodig is. Maar voorlopig is dit de tussenstand.

En dan nog even dit. Voor wie zichzelf betrapt op het idee dat antidepressiva een ‘quick fix’ zijn voor mentale problemen, dat er per definitie voor iedereen veel betere alternatieven zijn dan medicatie of dat je het met pillen ‘dus niet zelf aankan’: lees dit artikel. Genuanceerder heb ik het nog zelden toegelicht gekregen.

Dankjewel voor alle lieve, openhartige en hartverwarmende reacties op mijn vorige blog. Hoewel dat niet het doel is waarmee ik mijn verhaal de wereld in slinger, doet het me erg goed. Jullie sterken me daarmee bovendien in de overtuiging dat er steeds meer mensen zijn die begrijpen dat mentale gezondheid gewoon bespreekbaar moet zijn voor wie dat wil of nodig heeft, zonder vooroordelen.  

Monster

Ik kan er lang of breed over lullen, maar ontkennen heeft geen zin. Het angstmonster zit weer bij me op schoot. Hangt aan mijn been. Drukt op mijn schouders. Prikt in mijn buik. Bezorgt me tranende ogen met z’n stinkende adem.

Heel even dacht ik dat het geruisloos gelukt was. Stoppen met antidepressiva. Maar afgelopen zomervakantie voelde ik het weer. De nervositeit om niks, spanning tijdens ontspannen activiteiten, overprikkeld zijn door het minste of geringste.

Godsamme. Het zal toch niet?

De vakantie ging voorbij en het gewone leven inclusief dito ritme diende zich weer aan. Ik hoopte dat dat het monster zou afschrikken. Maar nee. Het hijgde opdringerig in mijn nek toen ik op werkdag 1 mijn laptop nog net niet huilend weer openklapte. Of eigenlijk huilde ik wel. En de dag erna ook. Van de spanning, de stress. Van het niet weten hoe ermee om te gaan, met deze nieuwe en tegelijkertijd vertrouwd aanvoelende realiteit. En van het weten dat het eigenlijk onzin was en van de schaamte dat die wetenschap geen verschil maakte. Had ik mezelf dan na al die jaren nog steeds niet onder controle? Had ik wel moeten stoppen met de pillen?

In de weken die volgden werd het niet beter. Het monster groeide nog een beetje. Stonk nog iets harder. Mijn ogen traanden om een eenvoudig ritje naar mijn werk in Enschede (kon ik het nog wel, zaten ze daar wel op me te wachten, als ik maar niet verkeerd reed, kut het olielampje brandt), mijn ademhaling zat de hele dag hoog (jezus wat een volle mailbox, ik ben een slechte HR-adviseur, moeder, vriendin, whatever, komt dit ooit nog goed). Ondertussen sprak ik het monster toe. Dat-ie op moest tyfen, dat hij niet bestaat. Hij keek me onbewogen aan en verplaatste zich geen centimeter.

Het is eng om toe te geven. Dat het er weer is. Juist nu ik er middenin zit. Maar ik blijf practisen wat ik preach: wees er open over. Valt niet mee voor iemand met een angststoornis. Maar het is ook een goede oefening. Exposure therapie in het klein.

En nu?

Ik prijs me gelukkig met lieve en kundige mensen om me heen die met me meedenken, naar me luisteren, professionele en praktische suggesties aandragen of me eenvoudigweg een welgemeende knuffel geven. Eens kijken of en hoe ik vrienden kan worden met het niet bestaande maar voor mij oh zo aanwezige monster. Lukt dat niet, dan ben ik het eens met mijn huisarts: terug naar de pillen kan altijd nog.

« Oudere berichten

© 2022 Tamara

Thema gemaakt door Anders NorenBoven ↑