Tamara

schrijft

Eigen naad

Scheiden is niet grappig. Ik raad het iedereen van harte af. Tenzij bij elkaar blijven een slechter idee is dan uit elkaar gaan. Als dat niet aan de hand is: maak er iets van.

Scheiden met kind leverde in mijn situatie – gelukkig – co-ouderschap op. Ik zou het voor ons kind niet anders gewild hebben. Al had ik haar natuurlijk eindeloos van harte gegund dat ze dit niet mee had hoeven maken. Maar wat ik zeg: uit elkaar gaan was het minst slechte idee. Gelukkig was co-ouderschap op geen enkele manier een punt van discussie. Dus zo doen we het, inmiddels anderhalf jaar.

Dat betekent dat ik om de week alleen ben. Zonder mijn kind. Best gek. Omgeven zijn door barbies, puzzels, stiften, creatieve bouwsels van dozen, een lege meisjeskamer vol knuffels en paardenposters, en niet wetende wat je kind allemaal doet en meemaakt als ze een week bij haar vader is. Tuurlijk krijg ik weleens een berichtje van haar vader als er iets speciaals speelt, of praat kindlief me spontaan bij als ze weer bij mij is. Maar het is anders dan de dagelijkse routine met elkaar draaien, commentaar krijgen op wat ik nu weer gekookt heb, drama schoppen om dat ene shirt dat in de was zit, samen ieder ons eigen boek lezen in het grote bed waarbij ze me voorleest uit De Waanzinnige Boomhut. ‘Mama, dit is echt grappig, luister dan!’

En toch went het. Ook al voel ik me daar soms schuldig over. Kan een moeder aan die afwezigheid wennen? Een goede moeder ook?

In de week dat dochterlief er niet is, ben ik vrij op woensdag. En dat komt heel vaak verdomde goed uit. Omdat ik moe ben, overprikkeld for whatever reason, en volledig mijn eigen naad wil naaien. Zoek die laatste maar even op, de uitdrukking bestaat echt en klinkt in het dialect van mijn ouders het best.

Vandaag was zo’n woensdag. Afgezien van een gepland bezoekje aan de Hema, had ik verder niets te doen. Dat resulteerde in een dag vol… noppes. De grootste inspanning zat in koken en de vaatwasser in- en uitruimen. De overige uren heb ik gevuld met een schandalig lang dutje, lezen in de zon, Netflixen, wat gepruts met fotolijstjes en nagels lakken met een nieuw lakje (dat lakje stond niet op mijn Hemalijstje, maar ja, als je ein-de-lijk weer mag…).

Het past me, dit soort dagen. Altijd al. Maar zeker nu mijn sensitieve aard weer een slinger voorwaarts heeft gekregen. Ik rust uit, fysiek en mentaal. Nog één stapje omlaag, en dan naar nul. Nul antidepressiva. Ik ga die ene woensdag in de twee weken in mijn eentje, samen met Netflix, nagellak en mijn bed, hard nodig hebben. Zodat ik er meer dan 100% kan zijn voor dochterlief. Daar voel ik me dan weer niet schuldig over.

Nu wordt het spannend

Nu wordt het spannend. In vijf maanden ben ik van 75 naar 13 milligram Venlafaxine gegaan. Na ieder stapje omlaag, of omhoog, het is maar hoe je het bekijkt, voelt mijn hoofd in de ochtend enkele dagen alsof ik te snel twee IPA-tjes heb weggetikt, soms gevolgd door een vaag hoofdpijntje. Mag geen naam hebben.

Spannender vind ik het verschil. Het verschil tussen ‘Tamara met’ en ‘Tamara zonder’. Want dat verschil begint zich af te tekenen. Voor mij in ieder geval, geen idee of anderen het merken. Ik zou het ook kunnen uitleggen als terugkeer van klachten, maar voorlopig voelt dat niet zo. Het is eerder alsof ik meer mezelf word. Terwijl dat nota bene precies was wat ik zei toen ik aan de pillen begon en ze na drie weken hun werk deden. Hoeveel zelven heb ik eigenlijk?

Meer mezelf worden is niet per se comfortabel. Het gaat gepaard met een groeiende gevoeligheid. Voor knetterende brommers en laaghangende zon. Voor mijn kind, dat alle tijd van de wereld heeft, ook als we nog maar vijf minuten hebben voor ze op school moet zijn. Voor iedere cheesy scène in een Netflixserie die ik normaal met droge ogen zou consumeren. Voor ieder zorgzaam appje van mijn lief.

Vorige week hing van de gedoetjes aan mekaar. Maandag moest ik verlof nemen want kind ziek, geen corona, wel even bloedprikken (alles oké). Ikzelf was al enkele dagen nagenoeg doof vanwege verstopte oortjes. Pas na twee bezoekjes aan de huisarts en de waterspuit waren mijn trommelvliezen weer zichtbaar. Tot die tijd leverde ik een stevige inspanning om Team-vergaderingen goed te kunnen volgen. Wat zeiden ze nou? Of hoorde ik iets anders? Dat gold ook voor mijn dochter, televisieprogramma’s, cassières met mondkapjes en wat dies meer zij. Vervolgens een rondje fysio want er zat van alles vast. Au. En dan laat ik de oncomfortabele drukte op het werk nog onbesproken.

Mijn gevoelige nieuwe zelf vond al die gedoetjes niet zo fijn. Agitatie en vermoeidheid vochten om voorrang, op de hielen gezeten door schuldgevoel. Want hallo, voorgaande alinea is niet bepaald een beschrijving van serieus wereldleed. People are dying, weet je wel. Stelde ik me aan? Wat is normaal en wat niet? Of zijn dat irrelevante vragen?

Het is zoeken naar een nieuwe modus, passend bij hoe mijn kale bedrading zonder Venlafaxine werkt. Ik ben nog steeds vastbesloten om uit te komen bij een leven ‘zonder’. Niet omdat ik tegen medicijngebruik ben, integendeel, maar omdat ik er blijkbaar aan toe ben. Omdat het idee van ‘zonder’ fijner voelt. Het is spannend hoe dat uitpakt in de praktijk.

Mijn gebruiksaanwijzing is momenteel een dynamisch document. Wat heeft ‘Tamara zonder’ nodig om lekker te blijven draaien, thuis, op het werk, in het leven? Hoofdstuk 1 van mijn gebruiksaanwijzing luidt in ieder geval: Geef jezelf de tijd.

Nergens bang voor? Deel 2.

Nergens bang voor? Toch wel. Ik betrapte mezelf erop tijdens het schrijven van mijn vorige blog, en tijdens het schrijven van een nieuwe blog over mijn angststoornis en medicijngebruik. Opeens realiseerde ik me: ik bagatelliseer, zwak af, verdedig. Bang voor andermans oordeel.

Ik schreef bijvoorbeeld dit, in een blog die ik niet ga publiceren:

Sinds een dag of zes zit ik met mijn dosering Venlafaxine onder de laagst beschikbare hoeveelheid. En dat vind ik dus best spannend. Niet vanwege de bijwerkingen, want die zijn nog steeds minimaal en ik verwacht daar geen gekkigheid meer in. Maar wel vanwege de mogelijkheid dat mijn klachten terugkeren. En ik weet dat bij mij alleen pillen helpen. Al het andere heb ik al geprobeerd, jarenlang, met nauwelijks of kortdurend effect.

Die laatste zin. Waarom zeg ik dat zo? Om duidelijk te maken dat ik écht alle mogelijke moeite heb gedaan om mijn klachten te verhelpen met alles behalve pillen, en dat ik heus niet zomaar aan medicatie ben begonnen.

Oftewel, ik ben mezelf op voorhand aan het verdedigen. Omdat ik weet hoe ‘ze’ denken over medicatiegebruik bij klachten die zich tussen de oren afspelen. Ik lees het in de media en heb het ook zelf te horen gekregen. Pillen slikken is ‘makkelijk’. Dan los je niet zelf je klachten op. Zeggen we dat ook tegen mensen met diabetes, reuma of welke akelige ziekte dan ook?

Zeker, voor veel ziektes geldt dat naast medicatie een aanpassing van leefstijl en reflectie op het eigen gedrag helpend is. En misschien zelfs soelaas biedt of ervoor zorgt dat er minder pillen nodig zijn. Maar tegen iemand met een angststoornis, depressie of andere aandoening in dat spectrum zeggen dat pillen slikken ‘de weg van de minste weerstand’ is, is wat mij betreft vergelijkbaar met tegen een reumapatiënt zeggen dat medicatie overbodig is mits hij of zij maar voldoende beweegt. En ook deze situatie ken ik van dichtbij. De patiënt in kwestie sport al zijn hele leven veel meer dan de gemiddelde mens in dit land, maar houdt daarmee de pillen niet buiten de deur.

Een ziekte, waar en hoe die zich ook manifesteert in ons lijf, heeft behandeling nodig. En iedereen bepaalt voor zichzelf, al dan niet na raadpleging van artsen of andere deskundigen, hoe die behandeling eruit ziet. Sporten, een speciaal dieet volgen, mediteren, yoga, koud douchen in de ochtend, 75mg Venlafaxine, af en toe een Oxazepammetje of in het weekend een biertje. Doe wat bij jou en jouw lijf past.

Ik betrapte mezelf al schrijvende op schaamte. Schaamte voor een stoornis tussen de oren, schaamte om te bekennen (dat dus, waarom deze woordkeuze?) dat ik antidepressiva nodig heb. En vandaag schaamde ik me dat ik me hiervoor schaamde. Omdat een ernstig zieke vriendin, gelukkig met een zeer hoopvol perspectief op volledige genezing, me zei dat ze zich niet schaamde voor haar kale hoofd en haar ziekte. En dan doe ik moeilijk over mijn kwaal die niet zichtbaar is voor de buitenwereld en die – in mijn geval – 100% zeker geen dodelijke afloop heeft? Haar appje schudde me wakker. Niemand hoeft zich te schamen voor welke ziekte dan ook, in welk lichaamsdeel dan ook.

Ondertussen ga ik richting de 0 mg Venlafaxine. Maar mocht de angststoornis toch weer fanatiek op mijn deur bonzen, dan schaal ik zonder terughoudendheid op naar 75mg. Of zoveel meer als nodig is. Schaamte is voor bangeriken en ik ben tenslotte nergens bang voor.

Nergens bang voor

Ik heb een gegeneraliseerde angststoornis (GAS). Zeggen ze, de twee psychiaters die ik jaren geleden onafhankelijk van elkaar consulteerde. De herinnering aan die stoornis is dankzij succesvol gebruik van antidepressiva (AD)*) vervaagd. Maar er is weinig voor nodig om mijn geheugen op te frissen. Zo liet ik pas geleden een filmpje zien aan mijn vriend, waarop mijn dochter te zien is als anderhalf jarig frummeltje dat net kan lopen en daar zéér content mee is. Bij het zien van de beelden voelde ik het direct weer. Mijn gemoedstoestand van toen. Gespannen, geagiteerd, rusteloos, opgefokt, rot. En dat elke dag, zo ongeveer de hele dag. Hetgeen helemaal niets te maken had met mijn dochter; integendeel. Het had zelfs helemaal nergens mee te maken. Dan moest ik wel een aanstelster wezen, toch?

Gelukkig trof ik enkele jaren geleden een psychiater die me serieus nam. Nog voor we het intakeformulier met elkaar doornamen zei ik tegen hem: ‘Het kan me niet schelen wat andere deskundigen beweerd hebben, maar met mij is wel degelijk iets aan de hand en ik ben volledig uitgeluld over mezelf.’ Doelend op het riedeltje hulpverleners dat ik in de jaren daarvoor had geraadpleegd en waarvan de laatste zei: ‘Met jou is niets aan de hand.’ Prachtige diagnose, mits-ie correct was geweest. De psychiater hoorde me aan, vroeg door en zei na drie kwartier: ‘Ik denk dat je gelijk hebt. Ik zie een hoog functionerende vrouw voor me die tevergeefs alles geprobeerd heeft om haar klachten te verminderen.’ Zijn diagnose: een gegeneraliseerde angststoornis. Ook al was ik nergens bang voor. Remedie, in mijn geval: pillen.

Jaren daarvoor velde een andere psychiater hetzelfde oordeel. Toen wilde ik er niet aan. Het was vlak na de dood van Koen en ik had geen zin in een stoornis. Ik vond ‘nabestaande van zelfdoding’  wel genoeg.  

Na het bezoek aan de 2e psychiater ging ik dus opnieuw aan de pillen. Ik had ze eerder genomen, voor een depressie, die voortkwam uit een verwaarloosde (door mij ontkende en onderdrukte) angststoornis. Realiseerde ik me achteraf, met dank aan de toelichting van mijn nieuwe shrink.

De eerste keer slikte ik ze ongeveer twee jaar. Toen ik me weer goed genoeg voelde stopte ik. Op de manier zoals de protocollen voorschreven. Resultaat: fikse onttrekkingsverschijnselen. Een draaihoofd waarbij het beeld telkens een halve seconde later volgde, een brein dat schokte alsof ik stroomstootjes door mijn bovenkamer gejaagd kreeg, ik voelde me verward, paniekerig en moe. Dat hield een week aan, vervolgens ebde alles heel langzaam weg. De stoornis hield zich tijdens mijn zwangerschap gedeisd, maar enkele maanden na de geboorte van kindlief kwamen alle klachten terug.

Inmiddels ben ik weer een jaar of zeven aan de AD. En het helpt. Toch ben ik het nu zat. Uiteindelijk slik ik het spul liever niet. Dus vanaf oktober vorig jaar ben ik aan het afbouwen. Op mijn manier **). Dat betekent: zelf de capsules openen en de werkzame stof die erin zit met behulp van een microweegschaaltje afwegen en er telkens een beetje minder van nemen. Ja, ik ken het bestaan van taperingstrips. Maar dan ben ik nog steeds afhankelijk van een apotheek en kan ik niet ‘onderweg’ zelf eenvoudig en snel bijstellen. Om nog maar te zwijgen van het feit dat taperingstrips nauwelijks en voor een korte periode vergoed worden door mijn zorgverzekeraar.

Het afbouwen gaat goed, ik zit op de helft van mijn oude dosering en ga morgen weer een stapje omlaag. Mijn prikkelgevoeligheid neemt wel toe. Dat betekent voor mij dat ik naast werk en kind mijn agenda niet te vol moet proppen. Dat was altijd al zo, maar ik ben er nu extra alert op. Minder pillen, meer zelfzorg. Op naar de nul milligram. Want ik ben nergens bang voor.

*) Voor de kenners: ik slik Venlafaxine, 75mg.

**) Let op: mijn blog is beslist geen pleidooi voor op eigen houtje afbouwen van AD en zelf klooien met je pillen. Raadpleeg altijd je arts. En vertrouw op wat je lijf je vertelt.

Afhankelijk van de producent bevatten de capsules pilletjes of korreltjes.

Bach en de eyeliner

Vanochtend vroeg. Ik breng eyeliner aan op mijn bovenste ooglid, terwijl ik via mijn mobiel luister naar Miss Podcast, gemaakt door Mischa Blok. In deze podcast, die ’s nachts wordt opgenomen, interviewt ze gasten onder gebruikmaking van ‘de geluiden uit hun leven’. Er kan van alles voorbij komen, geluiden van alledaagse gebruiksvoorwerpen uit iemands jeugd en natuurlijk ook muziek. Daarnaast luistert de gast zelf van tevoren een podcast, uitgezocht door Mischa, die vervolgens gerecenseerd wordt. Dit keer interviewt Miss Podcast Ferd Grapperhaus.

Mijn linkeroog is klaar, rechts moet nog. Maar die actie moet ik staken. Want uit mijn mobiel komt plots de cello suite van Bach (no. 1 prélude in G major, voor de liefhebbers). Alsof er iemand een kraantje open draait, rollen er direct tranen over mijn wangen. De eyeliner leg ik op het plankje voor de spiegel en ik kijk een beetje verbaasd naar mijn huilende spiegelbeeld.  

Deze cellosuite werd gespeeld tijdens de crematie van Koen. Een paar jaar geleden stond deze muziek onder een reclame die telkens op de radio voorbij kwam. Iedere keer schrok ik me lam. Maar nu had ik ‘m al een tijd niet gehoord. En klabats, zonder enige filter komen de cellogeluiden bij me binnen. Ik denk niet eens aan de crematie, wel aan Koen. En aan hoe kut het is dat hij er niet meer is. Niet alleen nu, tijdens de komende feestdagen, maar altijd. Die feestdagen interesseren me niet zo. Juist in het dagelijks leven is het gemis zo pijnlijk.

Ik staar mezelf nog even aan terwijl Bach doorspeelt. Mijn ogen blijven waterig. Volgens Blok en Grapperhaus is het een muziekstuk dat troost brengt. ‘Godsamme’, zeg ik hardop, en loop met de mobiel in mijn hand naar mijn werkkamer. Ik zet Ferd en de zogenaamde troost van Johan Sebastian uit.

Met één kaal oog, ga ik achter mijn computer zitten. Eerst even opdrogen. Ik open mijn mailbox en constateer als altijd dat het leven gewoon doorgaat. Tien minuten later zijn allebei mijn ogen opgemaakt.

« Oudere berichten

© 2021 Tamara

Thema gemaakt door Anders NorenBoven ↑