Tamara

schrijft

Auteur: Tamara (pagina 1 van 23)

Wanneer zeg je het?

Wanneer zeg je het? Zeg ik het überhaupt, dat ik een dood broertje heb, als gevolg van zelfdoding?

Dat vraag ik me af als ik nieuwe mensen leer kennen. Nieuwe collega’s bijvoorbeeld, of heren waarmee ik date. Die laatste categorie ‘moet’ ik het wel zeggen, want als ik het niet vertel hebben ze het in no time zelf gevonden zodra ik mijn echte naam onthul. Ik sta met een fake naam op Tinder en de naam van mijn werkgever laat ik ook in het midden. Niet dat ik zoveel te verbergen heb, maar het lijkt me wel gezond om een kleine drempel in te bouwen voordat een match mijn halve ziel en zaligheid kan consumeren. Half ja, ik zet niet ál mijn zielenroerselen op internet.

De prille match die nu in mijn leven is – nee, ik noem geen naam en rugnummer – heeft geheel uit zichzelf mijn boek besteld. Hij had het ook van mij kunnen krijgen. Maar nee, dat wilde hij niet. Je begrijpt, de man scoorde punten. Al eerder had ik hem verteld, tijdens de 1e date zelfs, wat er gebeurd was. Hij was onder de indruk maar durfde wel verder te vragen. Tot mijn opluchting. Nu leest hij mijn boek. Wat gaat hij ervan vinden? Gaat-ie alsnog schrikken? Daar blijf ik kwetsbaar in.

Voor mij hoort Koen er voor altijd bij. De mooie herinneringen, het verlies, de pijn, het gemis. Het bepaalt mijn levensgeluk niet langer, maar zal levenslang voor moeilijke en verdrietige momenten blijven zorgen. Zelf koester ik die moeilijke momenten inmiddels, want het herinnert me stevig aan de altijd blijvende liefde voor hem. Maar snapt een nieuwe verkering aan mijn zijde dat ook? Ik denk dat deze meneer dat goed begrijpt, en – erg belangrijk – er niet voor terugdeinst.

Een zeer dierbare bekende van me, tevens rouwcoach, merkte droog op dat het wel een mooi selectiecriterium is, het verhaal van mijn dode broertje. Als een man afhaakt, of er langsheen gaat (‘Jeetje, wat rot voor je. Biertje?’), dan is het dus geen partij, zo redeneerde zij. Koen, bedankt. Als ik nu de ware niet tref, weet ik het ook niet meer.

De prille match is denk ik inmiddels halverwege mijn boek en komt vanavond gewoon langs. Verheugt zich zelfs. En ik ook.

Achteruit ermee

Een vriendin zei dat haar oma deze uitspraak (zie titel) zou loslaten op de hoofdrolspeler in het datingverhaal dat ik via WhatsApp met haar deelde. Betreffende hoofdrolspeler bleek een man die dacht dat mijn hart een laboratorium was waarbinnen hij maximaal met zijn gevoelens (en die van mij) kon experimenteren. Ik kan weer een liefdesles bijschrijven op mijn CV. If it looks like a duck, swims like a duck, dan speelt er iets als bindingsangst, hechtingsissues, you name it. Rot voor hem, dat meen ik, maar in dit geval ook voor mij en de dames die zijn pad nog gaan kruisen.

Daten is een vak apart. Een bijbaan, als je niet oppast. Die bovendien slecht betaalt, tenzij je galante knakkers treft die gul hun virusvrije pinpas trekken. Hoeft voor mij niet, maar ben wel zo ouderwets dat ik het waardeer. Voor de goede orde: het aantal dates dat in mijn balboekje terecht is gekomen, kan ik nog steeds op één hand tellen. Al sluit ik niet uit dat dit voor het einde van het jaar anders is.

Ik zou het ook niet kunnen doen. Daten. En gewoon kijken of ik iemand in het wild tref. Maar met mogelijk een tweede coronagolf onderweg, wordt die kans bepaald niet groter. Dus deze serieuze moeder met een serieuze baan, huis, auto en een leven, begeeft zich op het aalgladde pad van de veegapp Tinder. There, I’ve said it.

Knappe mannen, lelijke mannen, ertusseninmannen, mannen die skiën, motorrijden, bootje varen, parachutespringen, bergbeklimmen, wielrennen, mannen die gruwelijke spel- en taalfouten maken (het is ‘betalend lid’ heren, geen ‘betaald lid’, dat laatste noemen we een gigolo), mannen die niet kunnen chatten en precies NUL vragen stellen.

Selfies met onderkinnen, in zwembroek, foto’s die no way matchen met de echte leeftijd, foto’s met hun kinderen (kan iemand deze mannen tegenhouden?). Ze kijken Netflix, kunnen goed thuis zijn maar gaan ook graag op stedentrip, zijn sportief, beschikken over IQ en EQ (dat laatste beoordeel ik zelf wel heren), biertje, wijntje, allemaal levensgenieters, en oh ja: ze willen allemaal een lieve, zorgzame, zelfstandige vrouw met humor waarmee een goed gesprek mogelijk is. Totdat ze er zo eentje treffen, dan schrikken ze zich kapot. Bij lief en zorgzaam had ik mogen stoppen. Als extra USP hebben ze de boel op de rit. Mag ik goffedomme hopen als je de 40 of 50 voorbij bent. En ze zijn niet op zoek. I kid you not, dat zetten ze er echt bij, op een datingapp.

Maar.

Het is ook leuk. Grappige mannen met goeie teksten, mannen die wél reageren op een chat of daar zelf mee beginnen, mannen die moeite doen, oprechte kerels met het hart (en de bierbuik) op de goeie plaats. Mannen die relaxed reageren als je zegt dat je een date verder niet ziet zitten, waardoor je bijna op je beslissing zou terugkomen. Mannen die je een ontbijtje op bed willen bezorgen en echt niet in het park willen afspreken omdat ze hooikoorts hebben. Reken maar dat ik af en toe hardop in de lach schiet bij het lezen van de doorzichtige pogingen om direct tussen de lakens te belanden. En dan was daar de man die na mijn antwoord op zijn vraag ‘Waar gaat je boek over?’ per ommegaande de match verwijderde. Ja, geestig.

Het is een wereld op zich. Ik ben uiteraard selectief in met wie ik afspreek, niet in de laatste plaats vanwege corona. Iedere chat of date zou een blog kunnen opleveren, maar ja, iets met privacy. Dus ik noem geen namen of details die naar een persoon herleiden. Zelfs niet als een meneer meent dat hij me wekenlang de hemel in kan prijzen, mijn vraag ‘what’s the catch’ wegwappert met de wedervraag ‘ben jij echt zo cynisch?’, me met droge ogen herhaaldelijk vertelt dat hij nog nooit zo’n klik gehad heeft met een vrouw, om 00.11 uur nog verliefd appt en om 09.01 uur de stekker eruit trekt. Of nee, hij twijfelde. Waarna ik de bal zelf maar binnen schoot, ook dat nog. Wil iemand zijn adres en telefoonnummer?

Achteruit ermee.

De tweede helft

De eerste helft van 2020 is sinds een ruime week afgetikt. Het was een raar half jaar, om het mild uit te drukken. Voor wie niet?

Privé had ik een paar akkefietjes te tackelen, en corona was the icing op de niet al te zoete cake. Dat vervelende virus heeft in mijn directe omgeving overigens niet voor extra ellende gezorgd, maar apart was het wel. Is het nog steeds, zij het met iets mildere regels. De tweede helft is begonnen.

Vandaag zag ik mijn collega’s weer eens live. Op twee na, waren we allemaal bij elkaar in het huis van onze leidinggevende, om een borrel te drinken op de (bijna) vakantie. De anderhalve meter werd hier en daar geweld aangedaan, maar aangezien niemand snottebellen had, leek het ons een calculated risk. Onze leidinggevende roemde onze inzet van de afgelopen periode, de promotie van een andere collega werd eervol vermeld, weer een andere collega was maar liefst 12,5 jaar in dienst en onze afstudeerder kreeg een presentje omdat ze haar HBO-papiertje in the pocket heeft.

Dochterlief beleefde op deze dag haar laatste momenten in groep 4, en ik haalde haar volslagen afgedraaid op bij de BSO. Het huilen stond haar chronisch nader dan het lachen, gister ook al. De broodjes knakworst die we op de bank aten terwijl we een één of andere bloedirritante YouTuber keken, maakten wel iets goed. Maar zodra ik aankondigde dat ze naar bed moest, trilde haar lip nog voor ik mijn zin had afgemaakt. Want het was vakantie en bij papa mocht ze altijd om acht uur naar bed (‘Het is acht uur gewéést schatje.’) en het was vakantie, herhaalde ze. En ze was niet moe.

Even daarvoor had ze me nog wel vanaf het toilet met de deur open luidkeels toegezongen. Eigen tekst en melodie. Iets met de liefste mama en dat ik zo aardig was. Ondanks de prikkelende aroma’s die de woonkamer binnendreven kon ik het niet over mijn hart verkrijgen te zeggen dat ze de deur dicht moest doen.

Terwijl dochter zong, zat ik met natte ogen op de bank een appje te lezen van een mij zeer dierbaar iemand. Ze schreef dat er bij haar borstkanker was geconstateerd. Wel godverdomme. Toen mijn zingende kind van het toilet kwam, vertelde ik haar dat ik afgeleid was door een naar bericht, en ook wat er aan de hand was. Minus het woord borstkanker, ‘ziek’ leek me wel voldoende voor een achtjarige. ‘Kan ze ook doodgaan?’ was de directe vraag. Blijkbaar verraadde mijn gezicht dat het niet om een verkoudheidje ging. Maar nee. Doodgaan kan niet. Dacht ik. Ik zei: ‘Dat zou kunnen, maar die kans is heel klein hoor.’ En ze keek weer verder naar de YouTuber.

Morgen mag ik nog een dagje werken voordat ik vier weken ‘uit’ ga. Dochterlief is ook thuis, want haar juffen en meesters hebben een studiedag. Eigenlijk had ik haar naar de BSO moeten sturen, maar gezien haar vermoeide smoeltje de afgelopen week: no way. Dus dat wordt werken met het kind om me heen, en mijn gedachten bij mijn ‘dierbare iemand’*) en haar gezin. Concentratie is morgen niet de rode draad. Maar zolang dat mijn grootste probleem is, kom ik die tweede helft wel door, me ondertussen verheugend op de derde helft.

*) Ik laat hier bewust in het midden of het om een collega, vriendin, familielid of buurgenoot gaat, omdat het vanzelfsprekend niet aan mij is om haar verhaal, herleidbaar naar haar, wereldkundig te maken.

Van kind, voor mij #gesmolten

Schoon en vuil verdriet

Ik luister naar de podcast Dag Voor Dag, gemaakt door Liesbeth Rasker. Zij verloor op 10-jarige leeftijd haar moeder, en in mei 2018 haar ‘tweede moeder’ Renate. Zojuist ontdek ik dat dat nota bene Renate Dorrestein was, één van mijn favoriete schrijfsters. As we speak lees ik Dagelijks werk. Dat terzijde.

De podcast gaat over rouw. En dan niet op een wetenschappelijke manier (ook nuttig, daar niet van), maar gewoon mensen onder elkaar. Geen tranentrekkerij, wel ontroerend en herkenbaar.

Dit artikel in de NRC gaat over de podcast. Al lezende valt mijn oog vooral op deze zaken: doe niet aan leedcompetitie, rouwenden vormen een club en rouw vermomt zich soms als boosheid.

Leedcompetitie, daar schreef ik al eens over. Gaan we niet overdoen.

Dat van die club. Zéér herkenbaar. En dan niet alleen de rouwclub, maar ik herinner me nog goed hoe ik me bedacht dat ik na de dood van Koen plots tot de groep ‘nabestaanden van een zelfdoding’ behoorde. Alsof ik daarmee een nieuw – bepaald geen welkom – onderdeel aan mijn identiteit kon toevoegen. Hetgeen ook gebeurde.

Ik mag nog ruim drie afleveringen (van de zeven) en tot nu toe denk ik bij iedere aflevering minstens tien keer: ja, precies, dat had ik ook! Hoewel Koen twaalf jaar dood is, blijft die herkenning troostrijk.

De rouw die ik nu nog voel mag misschien niet eens zo heten. Rouw vind ik die alles ontwrichtende pijn waar je met geen mogelijkheid omheen kunt kijken, die er altijd is, zelfs als je slaapt. Een pijn die zich fysiek uit, waarvoor je niet kunt weglopen en die je leven minimaliseert tot de overlevingsstand. Volgens mij had ik toen liever dat mijn hand zonder verdoving zou worden afgehakt dan dat ik nog langer de hartepijn om Koen moest verdragen. Ben ik blij dat er niemand was die dat aanbod deed. Ik had maar zo ja kunnen zeggen. Voelde me toch al geamputeerd.

Nee, rouw verdwijnt. Maar het eindeloze gemis, het verdriet om wat er is gebeurd, dat blijft.

Soms ben ik bang dat ik mensen vermoei als ik hierover schrijf. En toch heb ik daar ook maling aan. De dood en rouw horen bij het leven. Daar kan niemand het over oneens zijn. En ik ben van het kamp: laten we dat monster in de bek kijken want ervoor wegrennen is gegarandeerd kansloos. Niet te verwarren met het kamp: laten we ons eindeloos in de ellende wentelen en de mooie kant van het leven verwaarlozen. Hell no.

Vuil en schoon verdriet. Dat onderscheid kwam naar voren in podcastaflevering nummer twee. Hoewel ik het een ietwat link onderscheid vind – voor je het weet zit je toch weer in de sfeer van leedcompetitie – begreep ik het verschil dat de geïnterviewde dame probeerde duidelijk te maken. ‘Schoon verdriet is het als een geliefde overlijdt. Vuil als een geliefde je vrijwillig verlaat.’ Ik zou zeggen dat Koen me vuil verdriet heeft bezorgd. Al zet ik vraagtekens bij de vrijwilligheid ervan.

Boos. Eindeloos. Op ALLES. Onredelijk, onsympathiek en zonder reden. Nou ja, mijn broertje was dood, er zijn slechtere redenen, maar ik werd ook woedend als iemand me voor de voeten liep, als ik iets liet vallen, zelfs als het niet brak. Het lukte me vaak, niet altijd (lees mijn boek), om niet te ontvlammen in gierende razernij omdat ik ergens nog het besef had dat dat me niets zou brengen. Het putte me uit.

Wat ik maar zeggen wil: wees niet bang voor een podcast als deze. Luister, voor troostrijke herkenning of om rouwende geliefden beter te begrijpen. En omdat iedereen het gaat meemaken.

Deze dag, in deze tijd

Deze dag doe ik voor de twaalfde keer. Nee, het is geen Groundhog Day*)-toestand, want gelukkig komt 9 mei ieder jaar maar één keer voorbij, waar ik telkens een andere invulling aan geef. Dus voor mij geen eindeloze koffieleutsessies met Bill Murray die allang weet wat er op 9 mei gaat gebeuren.

Het is de twaalfde sterfdag van Koen.

Moet ik daar nu weer over schrijven? Jazeker. Niet omdat ik er zelf aandacht voor wil krijgen (hoewel ik de appjes en berichtjes zéér waardeer!) maar omdat zelfdoding als onderwerp blijvend aandacht nodig heeft. Tijdens deze coronacrisis wellicht nog een beetje meer dan anders. Berichten over toegenomen suïcides tijdens corona lees ik echter niet. Te confronterend, vooral rondom 9 mei.

De tijd heeft goede dingen voor me gedaan, dus ik lig vandaag niet huilend met chips en chocola onder mijn dekbed (en al was dat wel zo geweest, net zo goed). Maar een neutrale dag zal het nooit meer worden. Het doet ieder jaar opnieuw pijn. Dat is lastig én mooi tegelijk. Want het betekent dat de liefde voor mijn broertje blijvend is en dat troost mijn hart. Een klein stukje van hem blijft bij me.

Ik heb hem extra hard gemist de afgelopen periode. Wat had ik graag met hem gehuild om mijn scheiding, er zwarte grappen over gemaakt, wat had ik graag met hem aan de bar gehangen om het leven te evalueren terwijl we en passant De Oplossing voor Wereldvrede op een bierviltje zouden noteren.

Vorige week zat ik met mijn dochter op de bank, en ik speelde wat met de ring om mijn vinger waar ook een stukje Koen in zit, zijn as. In een wilde poging mij te knuffelen tikte ze per ongeluk de ring uit mijn handen. Het edelstaal met diamant vloog door de kamer en rolde onder de bank (hoe dan? Daar zaten we op).

Ik kniel op de grond om het sieraad tussen de schilfertjes pistachenoot en andere onduidelijke stofjes uit te plukken.

‘Je hebt ome Koen een flinke klap verkocht.’

‘Misschien zit er alleen maar as in van de kist’, relativeert dochterlief de valpartij droog.

Ik schiet in de lach. ‘Ja, dat zou best kunnen.’ De ring gaat weer om de middelvinger van mijn linkerhand en we knuffelen alsnog.

Over een tijdje wordt alles weer normaal, hoe dat er ook uit moge zien. En dan ga ik aan die bar hangen, zeker niet alleen, want ik ben gezegend met veel mensen om me heen die zich geheel vrijwillig bij me willen voegen. Aanmelden kan via WhatsApp.

Vandaag proost ik thuis op Koen en denk ik aan iedereen die hem net als ik mist. Ik zou er wat voor geven om hem op anderhalve meter afstand te mogen zien.

*) Als je deze film niet kent: Google maar even.

Mijn (te) gekke broertje. Foto gemaakt door Jerome.
Oudere berichten

© 2020 Tamara

Thema gemaakt door Anders NorenBoven ↑