Tamara

schrijft

Auteur: Tamara (pagina 1 van 24)

Nergens bang voor? Deel 2.

Nergens bang voor? Toch wel. Ik betrapte mezelf erop tijdens het schrijven van mijn vorige blog, en tijdens het schrijven van een nieuwe blog over mijn angststoornis en medicijngebruik. Opeens realiseerde ik me: ik bagatelliseer, zwak af, verdedig. Bang voor andermans oordeel.

Ik schreef bijvoorbeeld dit, in een blog die ik niet ga publiceren:

Sinds een dag of zes zit ik met mijn dosering Venlafaxine onder de laagst beschikbare hoeveelheid. En dat vind ik dus best spannend. Niet vanwege de bijwerkingen, want die zijn nog steeds minimaal en ik verwacht daar geen gekkigheid meer in. Maar wel vanwege de mogelijkheid dat mijn klachten terugkeren. En ik weet dat bij mij alleen pillen helpen. Al het andere heb ik al geprobeerd, jarenlang, met nauwelijks of kortdurend effect.

Die laatste zin. Waarom zeg ik dat zo? Om duidelijk te maken dat ik écht alle mogelijke moeite heb gedaan om mijn klachten te verhelpen met alles behalve pillen, en dat ik heus niet zomaar aan medicatie ben begonnen.

Oftewel, ik ben mezelf op voorhand aan het verdedigen. Omdat ik weet hoe ‘ze’ denken over medicatiegebruik bij klachten die zich tussen de oren afspelen. Ik lees het in de media en heb het ook zelf te horen gekregen. Pillen slikken is ‘makkelijk’. Dan los je niet zelf je klachten op. Zeggen we dat ook tegen mensen met diabetes, reuma of welke akelige ziekte dan ook?

Zeker, voor veel ziektes geldt dat naast medicatie een aanpassing van leefstijl en reflectie op het eigen gedrag helpend is. En misschien zelfs soelaas biedt of ervoor zorgt dat er minder pillen nodig zijn. Maar tegen iemand met een angststoornis, depressie of andere aandoening in dat spectrum zeggen dat pillen slikken ‘de weg van de minste weerstand’ is, is wat mij betreft vergelijkbaar met tegen een reumapatiënt zeggen dat medicatie overbodig is mits hij of zij maar voldoende beweegt. En ook deze situatie ken ik van dichtbij. De patiënt in kwestie sport al zijn hele leven veel meer dan de gemiddelde mens in dit land, maar houdt daarmee de pillen niet buiten de deur.

Een ziekte, waar en hoe die zich ook manifesteert in ons lijf, heeft behandeling nodig. En iedereen bepaalt voor zichzelf, al dan niet na raadpleging van artsen of andere deskundigen, hoe die behandeling eruit ziet. Sporten, een speciaal dieet volgen, mediteren, yoga, koud douchen in de ochtend, 75mg Venlafaxine, af en toe een Oxazepammetje of in het weekend een biertje. Doe wat bij jou en jouw lijf past.

Ik betrapte mezelf al schrijvende op schaamte. Schaamte voor een stoornis tussen de oren, schaamte om te bekennen (dat dus, waarom deze woordkeuze?) dat ik antidepressiva nodig heb. En vandaag schaamde ik me dat ik me hiervoor schaamde. Omdat een ernstig zieke vriendin, gelukkig met een zeer hoopvol perspectief op volledige genezing, me zei dat ze zich niet schaamde voor haar kale hoofd en haar ziekte. En dan doe ik moeilijk over mijn kwaal die niet zichtbaar is voor de buitenwereld en die – in mijn geval – 100% zeker geen dodelijke afloop heeft? Haar appje schudde me wakker. Niemand hoeft zich te schamen voor welke ziekte dan ook, in welk lichaamsdeel dan ook.

Ondertussen ga ik richting de 0 mg Venlafaxine. Maar mocht de angststoornis toch weer fanatiek op mijn deur bonzen, dan schaal ik zonder terughoudendheid op naar 75mg. Of zoveel meer als nodig is. Schaamte is voor bangeriken en ik ben tenslotte nergens bang voor.

Nergens bang voor

Ik heb een gegeneraliseerde angststoornis (GAS). Zeggen ze, de twee psychiaters die ik jaren geleden onafhankelijk van elkaar consulteerde. De herinnering aan die stoornis is dankzij succesvol gebruik van antidepressiva (AD)*) vervaagd. Maar er is weinig voor nodig om mijn geheugen op te frissen. Zo liet ik pas geleden een filmpje zien aan mijn vriend, waarop mijn dochter te zien is als anderhalf jarig frummeltje dat net kan lopen en daar zéér content mee is. Bij het zien van de beelden voelde ik het direct weer. Mijn gemoedstoestand van toen. Gespannen, geagiteerd, rusteloos, opgefokt, rot. En dat elke dag, zo ongeveer de hele dag. Hetgeen helemaal niets te maken had met mijn dochter; integendeel. Het had zelfs helemaal nergens mee te maken. Dan moest ik wel een aanstelster wezen, toch?

Gelukkig trof ik enkele jaren geleden een psychiater die me serieus nam. Nog voor we het intakeformulier met elkaar doornamen zei ik tegen hem: ‘Het kan me niet schelen wat andere deskundigen beweerd hebben, maar met mij is wel degelijk iets aan de hand en ik ben volledig uitgeluld over mezelf.’ Doelend op het riedeltje hulpverleners dat ik in de jaren daarvoor had geraadpleegd en waarvan de laatste zei: ‘Met jou is niets aan de hand.’ Prachtige diagnose, mits-ie correct was geweest. De psychiater hoorde me aan, vroeg door en zei na drie kwartier: ‘Ik denk dat je gelijk hebt. Ik zie een hoog functionerende vrouw voor me die tevergeefs alles geprobeerd heeft om haar klachten te verminderen.’ Zijn diagnose: een gegeneraliseerde angststoornis. Ook al was ik nergens bang voor. Remedie, in mijn geval: pillen.

Jaren daarvoor velde een andere psychiater hetzelfde oordeel. Toen wilde ik er niet aan. Het was vlak na de dood van Koen en ik had geen zin in een stoornis. Ik vond ‘nabestaande van zelfdoding’  wel genoeg.  

Na het bezoek aan de 2e psychiater ging ik dus opnieuw aan de pillen. Ik had ze eerder genomen, voor een depressie, die voortkwam uit een verwaarloosde (door mij ontkende en onderdrukte) angststoornis. Realiseerde ik me achteraf, met dank aan de toelichting van mijn nieuwe shrink.

De eerste keer slikte ik ze ongeveer twee jaar. Toen ik me weer goed genoeg voelde stopte ik. Op de manier zoals de protocollen voorschreven. Resultaat: fikse onttrekkingsverschijnselen. Een draaihoofd waarbij het beeld telkens een halve seconde later volgde, een brein dat schokte alsof ik stroomstootjes door mijn bovenkamer gejaagd kreeg, ik voelde me verward, paniekerig en moe. Dat hield een week aan, vervolgens ebde alles heel langzaam weg. De stoornis hield zich tijdens mijn zwangerschap gedeisd, maar enkele maanden na de geboorte van kindlief kwamen alle klachten terug.

Inmiddels ben ik weer een jaar of zeven aan de AD. En het helpt. Toch ben ik het nu zat. Uiteindelijk slik ik het spul liever niet. Dus vanaf oktober vorig jaar ben ik aan het afbouwen. Op mijn manier **). Dat betekent: zelf de capsules openen en de werkzame stof die erin zit met behulp van een microweegschaaltje afwegen en er telkens een beetje minder van nemen. Ja, ik ken het bestaan van taperingstrips. Maar dan ben ik nog steeds afhankelijk van een apotheek en kan ik niet ‘onderweg’ zelf eenvoudig en snel bijstellen. Om nog maar te zwijgen van het feit dat taperingstrips nauwelijks en voor een korte periode vergoed worden door mijn zorgverzekeraar.

Het afbouwen gaat goed, ik zit op de helft van mijn oude dosering en ga morgen weer een stapje omlaag. Mijn prikkelgevoeligheid neemt wel toe. Dat betekent voor mij dat ik naast werk en kind mijn agenda niet te vol moet proppen. Dat was altijd al zo, maar ik ben er nu extra alert op. Minder pillen, meer zelfzorg. Op naar de nul milligram. Want ik ben nergens bang voor.

*) Voor de kenners: ik slik Venlafaxine, 75mg.

**) Let op: mijn blog is beslist geen pleidooi voor op eigen houtje afbouwen van AD en zelf klooien met je pillen. Raadpleeg altijd je arts. En vertrouw op wat je lijf je vertelt.

Afhankelijk van de producent bevatten de capsules pilletjes of korreltjes.

Bach en de eyeliner

Vanochtend vroeg. Ik breng eyeliner aan op mijn bovenste ooglid, terwijl ik via mijn mobiel luister naar Miss Podcast, gemaakt door Mischa Blok. In deze podcast, die ’s nachts wordt opgenomen, interviewt ze gasten onder gebruikmaking van ‘de geluiden uit hun leven’. Er kan van alles voorbij komen, geluiden van alledaagse gebruiksvoorwerpen uit iemands jeugd en natuurlijk ook muziek. Daarnaast luistert de gast zelf van tevoren een podcast, uitgezocht door Mischa, die vervolgens gerecenseerd wordt. Dit keer interviewt Miss Podcast Ferd Grapperhaus.

Mijn linkeroog is klaar, rechts moet nog. Maar die actie moet ik staken. Want uit mijn mobiel komt plots de cello suite van Bach (no. 1 prélude in G major, voor de liefhebbers). Alsof er iemand een kraantje open draait, rollen er direct tranen over mijn wangen. De eyeliner leg ik op het plankje voor de spiegel en ik kijk een beetje verbaasd naar mijn huilende spiegelbeeld.  

Deze cellosuite werd gespeeld tijdens de crematie van Koen. Een paar jaar geleden stond deze muziek onder een reclame die telkens op de radio voorbij kwam. Iedere keer schrok ik me lam. Maar nu had ik ‘m al een tijd niet gehoord. En klabats, zonder enige filter komen de cellogeluiden bij me binnen. Ik denk niet eens aan de crematie, wel aan Koen. En aan hoe kut het is dat hij er niet meer is. Niet alleen nu, tijdens de komende feestdagen, maar altijd. Die feestdagen interesseren me niet zo. Juist in het dagelijks leven is het gemis zo pijnlijk.

Ik staar mezelf nog even aan terwijl Bach doorspeelt. Mijn ogen blijven waterig. Volgens Blok en Grapperhaus is het een muziekstuk dat troost brengt. ‘Godsamme’, zeg ik hardop, en loop met de mobiel in mijn hand naar mijn werkkamer. Ik zet Ferd en de zogenaamde troost van Johan Sebastian uit.

Met één kaal oog, ga ik achter mijn computer zitten. Eerst even opdrogen. Ik open mijn mailbox en constateer als altijd dat het leven gewoon doorgaat. Tien minuten later zijn allebei mijn ogen opgemaakt.

Wanneer zeg je het?

Wanneer zeg je het? Zeg ik het überhaupt, dat ik een dood broertje heb, als gevolg van zelfdoding?

Dat vraag ik me af als ik nieuwe mensen leer kennen. Nieuwe collega’s bijvoorbeeld, of heren waarmee ik date. Die laatste categorie ‘moet’ ik het wel zeggen, want als ik het niet vertel hebben ze het in no time zelf gevonden zodra ik mijn echte naam onthul. Ik sta met een fake naam op Tinder en de naam van mijn werkgever laat ik ook in het midden. Niet dat ik zoveel te verbergen heb, maar het lijkt me wel gezond om een kleine drempel in te bouwen voordat een match mijn halve ziel en zaligheid kan consumeren. Half ja, ik zet niet ál mijn zielenroerselen op internet.

De prille match die nu in mijn leven is – nee, ik noem geen naam en rugnummer – heeft geheel uit zichzelf mijn boek besteld. Hij had het ook van mij kunnen krijgen. Maar nee, dat wilde hij niet. Je begrijpt, de man scoorde punten. Al eerder had ik hem verteld, tijdens de 1e date zelfs, wat er gebeurd was. Hij was onder de indruk maar durfde wel verder te vragen. Tot mijn opluchting. Nu leest hij mijn boek. Wat gaat hij ervan vinden? Gaat-ie alsnog schrikken? Daar blijf ik kwetsbaar in.

Voor mij hoort Koen er voor altijd bij. De mooie herinneringen, het verlies, de pijn, het gemis. Het bepaalt mijn levensgeluk niet langer, maar zal levenslang voor moeilijke en verdrietige momenten blijven zorgen. Zelf koester ik die moeilijke momenten inmiddels, want het herinnert me stevig aan de altijd blijvende liefde voor hem. Maar snapt een nieuwe verkering aan mijn zijde dat ook? Ik denk dat deze meneer dat goed begrijpt, en – erg belangrijk – er niet voor terugdeinst.

Een zeer dierbare bekende van me, tevens rouwcoach, merkte droog op dat het wel een mooi selectiecriterium is, het verhaal van mijn dode broertje. Als een man afhaakt, of er langsheen gaat (‘Jeetje, wat rot voor je. Biertje?’), dan is het dus geen partij, zo redeneerde zij. Koen, bedankt. Als ik nu de ware niet tref, weet ik het ook niet meer.

De prille match is denk ik inmiddels halverwege mijn boek en komt vanavond gewoon langs. Verheugt zich zelfs. En ik ook.

Achteruit ermee

Een vriendin zei dat haar oma deze uitspraak (zie titel) zou loslaten op de hoofdrolspeler in het datingverhaal dat ik via WhatsApp met haar deelde. Betreffende hoofdrolspeler bleek een man die dacht dat mijn hart een laboratorium was waarbinnen hij maximaal met zijn gevoelens (en die van mij) kon experimenteren. Ik kan weer een liefdesles bijschrijven op mijn CV. If it looks like a duck, swims like a duck, dan speelt er iets als bindingsangst, hechtingsissues, you name it. Rot voor hem, dat meen ik, maar in dit geval ook voor mij en de dames die zijn pad nog gaan kruisen.

Daten is een vak apart. Een bijbaan, als je niet oppast. Die bovendien slecht betaalt, tenzij je galante knakkers treft die gul hun virusvrije pinpas trekken. Hoeft voor mij niet, maar ben wel zo ouderwets dat ik het waardeer. Voor de goede orde: het aantal dates dat in mijn balboekje terecht is gekomen, kan ik nog steeds op één hand tellen. Al sluit ik niet uit dat dit voor het einde van het jaar anders is.

Ik zou het ook niet kunnen doen. Daten. En gewoon kijken of ik iemand in het wild tref. Maar met mogelijk een tweede coronagolf onderweg, wordt die kans bepaald niet groter. Dus deze serieuze moeder met een serieuze baan, huis, auto en een leven, begeeft zich op het aalgladde pad van de veegapp Tinder. There, I’ve said it.

Knappe mannen, lelijke mannen, ertusseninmannen, mannen die skiën, motorrijden, bootje varen, parachutespringen, bergbeklimmen, wielrennen, mannen die gruwelijke spel- en taalfouten maken (het is ‘betalend lid’ heren, geen ‘betaald lid’, dat laatste noemen we een gigolo), mannen die niet kunnen chatten en precies NUL vragen stellen.

Selfies met onderkinnen, in zwembroek, foto’s die no way matchen met de echte leeftijd, foto’s met hun kinderen (kan iemand deze mannen tegenhouden?). Ze kijken Netflix, kunnen goed thuis zijn maar gaan ook graag op stedentrip, zijn sportief, beschikken over IQ en EQ (dat laatste beoordeel ik zelf wel heren), biertje, wijntje, allemaal levensgenieters, en oh ja: ze willen allemaal een lieve, zorgzame, zelfstandige vrouw met humor waarmee een goed gesprek mogelijk is. Totdat ze er zo eentje treffen, dan schrikken ze zich kapot. Bij lief en zorgzaam had ik mogen stoppen. Als extra USP hebben ze de boel op de rit. Mag ik goffedomme hopen als je de 40 of 50 voorbij bent. En ze zijn niet op zoek. I kid you not, dat zetten ze er echt bij, op een datingapp.

Maar.

Het is ook leuk. Grappige mannen met goeie teksten, mannen die wél reageren op een chat of daar zelf mee beginnen, mannen die moeite doen, oprechte kerels met het hart (en de bierbuik) op de goeie plaats. Mannen die relaxed reageren als je zegt dat je een date verder niet ziet zitten, waardoor je bijna op je beslissing zou terugkomen. Mannen die je een ontbijtje op bed willen bezorgen en echt niet in het park willen afspreken omdat ze hooikoorts hebben. Reken maar dat ik af en toe hardop in de lach schiet bij het lezen van de doorzichtige pogingen om direct tussen de lakens te belanden. En dan was daar de man die na mijn antwoord op zijn vraag ‘Waar gaat je boek over?’ per ommegaande de match verwijderde. Ja, geestig.

Het is een wereld op zich. Ik ben uiteraard selectief in met wie ik afspreek, niet in de laatste plaats vanwege corona. Iedere chat of date zou een blog kunnen opleveren, maar ja, iets met privacy. Dus ik noem geen namen of details die naar een persoon herleiden. Zelfs niet als een meneer meent dat hij me wekenlang de hemel in kan prijzen, mijn vraag ‘what’s the catch’ wegwappert met de wedervraag ‘ben jij echt zo cynisch?’, me met droge ogen herhaaldelijk vertelt dat hij nog nooit zo’n klik gehad heeft met een vrouw, om 00.11 uur nog verliefd appt en om 09.01 uur de stekker eruit trekt. Of nee, hij twijfelde. Waarna ik de bal zelf maar binnen schoot, ook dat nog. Wil iemand zijn adres en telefoonnummer?

Achteruit ermee.

Oudere berichten

© 2021 Tamara

Thema gemaakt door Anders NorenBoven ↑