Tamara

schrijft

Auteur: Tamara (pagina 1 van 20)

Mein Herz brentt

Bij deze eerste zin weet ik nog niet of ook de rest van de tekst zo nodig gedeeld moet worden met de wereld. Precies om de reden die ik al eerder aanhaalde: ik wil niet alleen maar die vrouw zijn die met haar dooie broertje bezig is. Want dat is niet zo, boek of geen boek. Koen is er elke dag maar dat wil niet zeggen dat ik alle dagen het leven met gebogen hoofd tegemoet treedt. Integendeel.

Maar vanavond… Misschien heeft de voorstelling van gister net iets te hard mijn litteken open gekrabt. Ik zou vanavond naar Herman Centraal gaan in Luxor maar besloot op het laatste moment thuis te blijven. Te warm, te moe, te geagiteerd, te weet-ik-veel.

En dus opende ik op dinsdagavond een biertje, plofte op de bank, keek Netflix, ruimde de keuken op, luisterde naar U2 op YouTube en betrapte mezelf plots op een ouderwetse jankpartij bij ‘sometimes you can’t make it on your own’ terwijl ik poëtische dingen dacht als: godverdegodver WAAROM ben je er niet meer?! Toen moest ik ook nog zo nodig Mosquito Song opzoeken van QOTSA, gedraaid op de crematie, en nu hoef ik mijn make up er niet meer af te halen voor ik straks ga slapen. Bovendien zal ik er morgen bijlopen alsof ik op beide ogen getimmerd ben. Thuiswerken op woensdagochtend kwam nog nooit zo goed uit.

Eva Nagel memoreerde gisteravond dezelfde uitspraak van Manu Keirse die ik ook aangehaald heb tijdens mijn lezingen: rouw is als een schaduw, soms ligt-ie achter je maar zodra je een hoek omslaat kan-ie opeens recht voor je liggen. Dat dus. Nu. Terwijl de zon al achter de flat op de Oude Kluizeweg gezakt is en geen schaduwen meer aflevert.

Van de weeromstuit ben ik op zolder gaan zitten, schrijf dit gezellige gedoetje van me af en draai keihard Rammstein. Maar echt hard. Asche zu Asche. Herzeleid. Het enige dat ik niet doe is toegeven aan de behoefte om mee te blèren; de buren zijn me lief en we wonen hier nog wel een tijdje. Rammstein als band staat nog weleens ter discussie maar ik neem hun teksten niet al te serieus (dan wel te letterlijk) en voor zover ik weet is dat terecht. Whatever, ik wil NU kabaal.

Koen kijkt me grijnzend aan, half verscholen achter de printer. Ja jongen, lekker bedankt hoor.

Na mijn liefde voor taal, komt liefde voor muziek. Dat ik muziek draai tijdens het schrijven is uniek. Normaal produceer ik in stilte. Muziek gooit mijn eigen woorden door elkaar, mengt ze met het ritme, de beats, andermans teksten. Maar nu komen mijn eigen gedachten er dwars doorheen.

Inmiddels ben ik redelijk gekalmeerd. En nu: Netflixen, een andere CD opzetten of een boek lezen in bed?

Rock & rouw

Een dood broertje hebben is best ingewikkeld. Niet alleen in de periode van ontwrichtende en eindeloos aanvoelende rouw, maar ook nu, elf jaar na dato. Koens afwezigheid is er elke dag. Hij is dood misschien wel aanweziger dan hij bij leven was. Ook voordat ik mijn boek uitbracht.

Ik schreef en schrijf over Koens overlijden om andere mensen die ook zoiets meemaken, herkenning en daarmee troost te bieden. Om het taboe op zelfdoding te helpen verkleinen en zo het aantal suïcides te helpen verlagen. En omdat ik het verlies van Koen iets minder zinloos wil maken.

Wat ik niet wil, is enkel gezien worden als nabestaande van zelfdoding. Of als een soort one-issue-woman. Tamara? Die praat alleen nog over haar dooie broertje en suïcidepreventie. De mensen in mijn directe kring weten dat dat niet zo is, dat ik geïnteresseerd ben in veel verschillende onderwerpen waar ik – afhankelijk van setting, stemming en specifiek thema – serieus of met geouwehoer met anderen over van gedachten wissel.

Maar hoe kom ik over op ‘de rest’? Zij die mijn blogs lezen, mijn berichten op Instagram, Facebook en LinkedIn? Ik weet niet eens wie wat leest, afgezien van de reacties die ik af en toe krijg. Biecht: soms post ik iets luchtigs op mijn kanalen, om duidelijk te maken dat ik echt niet hele dagen deze zware thema’s loop te herkauwen. Waarom wil ik dit zo nodig uitdragen? Voer voor psychologen denk ik. Of voor een avondje bieren aan de bar met goede vriendinnen. Kijk, doe ik het weer.

Ik denk dat veel mensen die rouwen om hun dierbare zich afvragen hoe lang ze hier over ‘mogen’ praten, hoe lang ze er aandacht voor mogen vragen. Wanneer moet de rouw volgens anderen klaar zijn en wordt het verlies van je geliefde een onderwerp dat je vooral voor jezelf houdt? Ik prijs mezelf gelukkig dat ik omgeven word door geweldige mensen waarvan er nog nooit één heeft laten merken dat ik er maar eens over op moet houden, over dat dooie broertje. Als ze het al dachten, hebben ze het voor zich gehouden. Sterker nog, ze beginnen er zelf over, ook na 11 jaar, 1 maand en 10 dagen. Fantastisch, dat is niet iedereen gegeven. Tegelijkertijd probeer ik zelf het Koenonderwerp ook te doseren, hetgeen best lastig is met de mooie activiteiten waar ik me sinds het uitkomen van mijn boek mee bezig mag houden.

Een mens kan ingewikkeld in elkaar steken, een rouwend mens misschien nog ingewikkelder. Maar ik denk dat niemand alleen als nabestaande van zelfdoding, rouwende of anderszins eendimensionaal door het leven wil gaan. Ik in ieder geval niet.

Hopelijk ben ik met mijn luchtige postings niet enkel bezig met het pimpen van mijn speciaalbierdrinkende rockchickimago (ah nee, dat zal toch niet?), maar geven ze ook een steuntje in de rug aan iedereen die zich herkent in mijn verhaal. Het wordt beter, er komt weer ruimte voor alles, echt.

Heb ik wel eens verteld dat ik een groot U2-fan ben?
(Foto: Sam Jones, via www.billboard.com)

Nu weet ze het. Deel 2.

Gisterochtend, half 8. Terwijl ik mijn haar in de shampoo zet onder de douche, dribbelt mijn dochter de badkamer binnen, trekt haar onderbroek omlaag en gaat op de wc zitten.

‘Mama?’

‘Ja.’

‘Gistermiddag toen ik bij Anne was, vonden we twee van jouw boekenleggers op de stoep. Op eentje zat een slak. De andere was nog schoon, die heb ik aan de papa van Anne gegeven.’

‘Heel goed.’ Geen troep op straat laten vallen, die boodschap zit er goed in. Geldt ook voor de boekenleggers van mama die per ongeluk uit de mini-bieb zijn gewaaid. Oprapen die handel.

Ze zit nog steeds op de wc. ‘Is de titel van jouw boek: Als jullie dit lezen ben ik dood?’

‘Klopt.’

‘Waarom heb je die titel gedaan?’

Ik zeg dat ik eerst wil douchen en het haar daarna uitleg. Met een waterstraal op je hoofd en een beslagen deur ertussen praat niet zo handig, zeker niet over dit onderwerp.

Even later ben ik afgedroogd en staat dochterlief tanden te poetsen. Ik leg uit waarom mijn boek de titel heeft die zij zelf kan lezen.

‘De titel van het boek is de eerste zin van de afscheidsbrief van ome Koen.’

Kindlief spuugt tandpasta uit en is even stil. Ik zie de denkblik weer verschijnen.

‘Wist hij dan dat hij dood zou gaan?’

‘Ja, hij schreef eerst de brief en toen maakte hij zichzelf dood.’

‘Waar is dat gebeurd?’

‘In zijn huis.’

‘Was jij daar bij?’

‘Nee, de bovenbuurman heeft ome Koen gevonden. En hij heeft meteen de politie gebeld.’

‘Wat deden de polities toen?’

‘Ze kwamen kijken wat er gebeurd was. En ze hebben ook een dokter gebeld die ome Koen moest onderzoeken, of hij echt dood was.’

‘Ja, die kan wel echt zeggen of dat zo is’, reageert mijn dochter alsof ze prima snapt hoe de procedures na een suïcide verlopen.

‘Wist jij het toen ook al?’

‘Nee, want het was midden in de nacht. Ik hoorde het pas de volgende ochtend.’

‘Zijn er in de avond nog polities op kantoor??’ Vera kijkt me verbaasd aan.

‘Jazeker, de politie werkt overdag en ’s nachts.’

Kindlief loopt de badkamer uit, pakt Raffie (pluche speelgoedgiraf) onder de arm en hobbelt naar beneden. Einde gesprek. En nog steeds geen vraag over hoe ome Koen het dan precies gedaan heeft, zichzelf doodmaken. Pas geleden vertelde iemand*) me hoe zij het had verteld aan haar kind. Dat iemand kan stikken, of dood kan bloeden. Zonder termen te gebruiken als ‘verhanging’ of ‘voor de trein springen’. Het kind in kwestie had nog wel gevraagd of het ook met een pistool kon. Ja, dat kan ook.

Een andere tip die ik ooit kreeg van mijn bff M.: vraag eerst aan je kind hoe hij of zij zelf denkt dat iets zit. Dan kun je daarbij aansluiten. Ook toepasbaar voor vragen als: waar komen baby’s vandaan? En: hoe komt een baby uit de buik? Of: waarom hebben meisjes geen plassertje?

Ik vermoed dat ik over een paar weken ‘Nu weet ze het. Deel 3.’ kan schrijven.

Deel 1 vind je hier.

*) Als je je eigen tip herkent: sorry, maar ik weet gewoon niet meer wie het was! Hoe dan ook: erg bedankt.

Nu weet ze het

Zaterdagochtend 4 mei. De cappuccino staart me aan. Ik staar terug, focus me op de schuimlaag. Zijn er eigenlijk mensen die cappuccinoschuim kunnen lezen, net als koffiedik? Ik zoek namelijk al de hele schoolvakantie van mijn dochter (de afgelopen twee weken) naar een antwoord op de vraag: ‘Zou dit een goed moment zijn om het te vertellen?’ Het cappuccinoschuim heeft helaas geen idee. Rechts van me aan tafel zit mijn dochter ingespannen te schrijven in een piepklein notitieblokje met Teigetje op de voorkant.

‘Mama, is twintig eerst met een twee en dan een nul?’

‘Ja, klopt.’

Ze schrijft verder, ieder getal telkens hardop zeggend. Twintig, eenentwintig, tweeëntwintig…

Zal ik het dan nu maar zeggen?

‘Hoe schrijf je dertig?’

‘Als de twintig met een twee en een nul was, hoe schrijf je dan de dertig?’

‘Eerst een drie en dan een nul?’ Ze wacht mijn bevestiging niet af want ze voelt dat het kwartje is gevallen en noteert de dertig met uiterste precisie.

Ik besluit het erop te wagen voor ze bij de veertig is.

‘Zeg lieffie, ik moest je nog iets belangrijks vertellen over ome Koen, weet je dat nog?’

‘Ja.’ Ze stopt met schrijven en kijkt me aan.

‘Ik had al verteld dat ome Koen dood is gegaan omdat hij ziek was toch? Nou, hij wilde dus zelf dood.’

Ze zet haar denkhoofd op. Het ratelt in haar bovenkamer. Ik hou mijn mond want ik weet dat er vanzelf iets komt. ‘Ik snap het niet.’ Ik leg uit: ‘Hij wilde zelf dood. En dat niet alleen, hij heeft het ook zelf gedaan. Hij heeft zichzelf dood gemaakt.’

‘Hè?’ Een ongelovige blik, een scheef lachje. Ze wendt haar blik af en schrijft verder. Bij de vijftig raakt ze een beetje in de war zie ik. De tweeënvijftig lijkt een vijfenvijftig, maar daar was ze nog niet.

Ondertussen is manlief binnen gekomen en hij luistert mee. Vera houdt weer op met schrijven en kijkt me opnieuw aan.

‘Maar jij had toch ook die ziekte? En jij wilde niet dood?’ Ze formuleert het meer als constatering dan als vraag maar ik reageer toch.

‘Nee, ik wilde niet dood. Ome Koen was veel zieker dan ik. Hij voelde zich zó rot, dat hij wilde dat het ophield.’

‘Jij wilde niet dood want jij dacht: ik heb nu een dochter!’ constateert ze grijnzend.

‘Precies!’ zeg ik lachend. Snel voeg ik eraan toe: ‘Maar ik wil het gewoon zelf niet hoor. Toen niet en nooit niet.’ Want stel je voor dat ze hieruit opmaakt dat ze verantwoordelijk is voor mijn levensgeluk. Ja, je weet soms niet wat zo’n smurf zich in d’r sponzige bolletje haalt.

Tot slot leg ik haar uit hoe mensen het noemen als iemand zichzelf dood maakt. Zelfmoord, zelfdoding, suïcide. En ik leg ook uit dat ik het haar echt zelf wilde vertellen, zodat ze het niet van een ander zou horen. En dat ze me er altijd van alles over mag vragen.

Opeens vertelt ze over de opa van een vriendinnetje. Dat vriendinnetje had haar verteld dat opa niet meer wilde leven, terwijl hij niet eens ziek was. Op mijn vraag of hij dan nu dood was, wist ze het antwoord niet. Maar ze vond het verhaal wel vergelijkbaar met dat van Koen. ‘Alleen was ome Koen wel erg jom.’ *)

Ik slik. Ze lijkt echt te begrijpen dat Koen veel te jong overleden is, terwijl de leeftijd van 30 jaar toch als hoogbejaard moet aanvoelen vanuit het perspectief van een 7-jarige. Toen ik 12 jaar was overleed een oom van me op 29-jarige leeftijd. Beetje vroeg maar dan heb je toch een mooi leven gehad, dacht mijn kinderbrein. Ik leerde razendsnel dat 29 piepjong is. Er is nog een foto waar deze oom samen met mijn broertje op staat. Bizar om te bedenken dat ze er allebei niet meer zijn en dat dat met gemak nog had gekund.

Dochterlief houdt het schrijven voor gezien, staat op van haar stoel en pakt de iPad. Ze nestelt zich ermee op de bank en begint een spelletje waar ze steeds handiger in wordt. Met haar kleine wijsvingertje zwiept ze het poppetje over het scherm en kletst ondertussen nog wat over familie, dat ze nog een oom heeft, maar dat het wel jammer is dat ze die andere oom nooit gekend heeft. ‘Yesss, ik heb er een poppetje bij!’ Snel schakelen kunnen ze, dat grut.

Het spelletje slokt haar aandacht op en ik laat dochterlief met rust. Haar kennende komen er nog meer vragen, maar daar moet ze eerst een tijdje op broeden. De details van ome Koens dood heb ik achterwege gelaten, want ik weet dat het een kwestie van tijd is voor ze daar zelf over begint. En dan is het vroeg genoeg om er meer over te vertellen. Tot die tijd kan ik nadenken over welke woorden ik in godsnaam moet kiezen om haar die ellende behapbaar aan te reiken.

Ik kijk naar mijn allerleukste kind van de wereld en zucht. Nu weet ze het. Hoef ik niet meer in een kramp te schieten als iemand in mijn omgeving over Koens dood begint of over zelfmoord, terwijl zij in de buurt is. Hopelijk was mijn uitleg niet te vroeg. In ieder geval niet te laat.

*) Jom, jommes, jomste. Zo spreekt dochterlief de ‘ng’ uit.

Kop, staart & leed(competitie)

Ik wil de hele tijd van alles schrijven. Er rennen de laatste weken elke dag allerlei teksten, alinea’s en onderwerpen door mijn hoofd. Vooral vlak voor ik in slaap val. Dan weet ik zeker dat ik een Briljante Blog bedacht heb, met een Knallerrr van een openingszin, om de volgende morgen gapend te concluderen dat er bij nader inzien in het felle ochtendlicht niet veel kraak of smaak aan het onderwerp zit.

Soms zou ik willen schrijven over wat ik meemaak als HR-adviseur. Verhalen genoeg. Maar dan kan ik mijn integriteit net zo goed meteen gratis laten afhalen via Marktplaats. En een andere baan gaan zoeken.

Laatst bedacht ik dat collega’s eigenlijk een wonderlijk soort figuren zijn in een mensenleven. We kennen allemaal de uitspraak: ik zie mijn collega’s vaker dan mijn partner. Voeg daaraan toe: en vaker dan mijn kind, ouders en vriendinnen. Tijdens de lunchwandeling van vanmiddag met een collega besprak ik deze gedachte, mede naar aanleiding van het overlijden van een dierbare van een van onze andere collega’s, waarmee ik al twaalf jaar (en de collega met wie ik wandelde al vier jaar) samenwerk. ‘Ja, we kunnen binnenkort twee bruiloften en twee begrafenissen aftikken’, vat ik de gedeelde life events samen. Waarop mijn collega droog reageert: ‘En drie kinderen.’ Ietwat beschaamd schiet ik in de lach. Oh ja, we kregen ook kinderen. Minor detail.

Dat brengt me bij de term leedcompetitie. Ietwat onlogisch bruggetje, I know, maar dat bedoel ik dus: er rommelt van alles in mijn bovenkamer. Leedcompetitie dus. Om met dominee Gremdaat te spreken: kent u die uitdrukking?

Dat gaat zo:

Wat is erger? Je broer verliezen door zelfdoding of je kind? Je vader verliezen voor hij zeventig is of je man? Ik denk dat de dood van Koen voor mijn ouders erger is dan voor mij. Geen fijne gedachte, want ik was (en ben, maar dan niet meer de ontwrichtende variant) er zo onwaarschijnlijk beroerd van dat ik me niet wil voorstellen dat mijn ouders door een nóg grotere berg shit moesten scheppen. Voor de goede orde: mijn ouders hebben mij nooit het idee gegeven dat mijn verlies minder zwaar zou wegen dan dat van hen. Het zaadje voor die gedachte heb ik zelf geplant. Sinds ik moeder ben.

Maar het doet er helemaal niet toe wiens verdriet erger is. Bovendien, hoe hadden we dat willen meten dan? Wie de meeste tranen vergiet heeft gewonnen? Vaders, moeders, kinderen, partners, vrienden, iedereen moet sowieso minimaal vijfentachtig worden. Daarna is het verlies nog steeds erg pijnlijk maar hopelijk op den duur te verteren.

Misschien komen de teksten in mijn hoofd ook wel door de lezing die ik morgenavond ga geven. Ik ben zo bezig geweest met: wat ga ik – wel en niet – vertellen dat er nog een paar gedachtes zijn overgebleven waarvoor geen tijd is. Die moeten er blijkbaar toch uit en dan krijg je dit soort rommelige blogs met onduidelijke kop en staart. Maar wat kan het schelen, een mens moet eens wat proberen in het leven. Ik ken verhalen waarin dat leven aan de korte kant was, dus voor de zekerheid kun je maar beter doen wat je wilt op het moment dat je het wilt, zolang je er niemand pijn mee doet. Want er is al genoeg leed in de wereld.

Oudere berichten

© 2019 Tamara

Thema gemaakt door Anders NorenBoven ↑