Tamara

schrijft

Maand: maart 2016

Choose your battles

Pokkk. Pok pok pok. Ik word langzaam wakker. Onze slaapkamerdeur gaat open en het ge-pok  van blote voetjes op het laminaat komt mijn kant op. Ik doe alsof ik slaap. Er landt een zacht handje op mijn wang. Het handje wiebelt mijn gezicht heen en weer. Eerst nog lief maar al na drie tellen hoor ik een fluisterschreeuw: ‘Mamaaaa ik moet plassen en poepen!’ Ik open mijn ogen en zie het gezicht van mijn dochter in het halve duister, omlijst door wild haar. Ze duwt tegen mijn schouder.’Mamaaa opschieten, mijn plas komt er al bijna uit.’ De wekker vertelt me dat het midden in de nacht is en ik zeg dat ze best zelf naar de wc kan. Kansloos. ‘Neehee, ik moet een hele grote poep!’ Onder het motto: choose your battles, zeker op dit tijdstip, gooi ik met een stramme zwaai mijn benen overboord en kom overeind.

Vijf minuten later sta ik een paar kinderbillen af te vegen. De lucht is niet te harden. Mijn kind is tevreden en ik wil haar weer naar bed begeleiden. Maar mijn kind is niet gek. Ze heeft allang gezien dat ik papa naar het logeerbed heb gebonjourd (wegens snurken, niet wegens echtelijke onmin) en dat betekent een zee van ruimte aan de rechterkant van het ouderlijk bed. En ja hoor: ‘Ik wil bij jou slapen.’

‘Nee lieverd, dat doen we niet, je hebt een heel fijn eigen bed en daar ga je gewoon weer in liggen.’ De fluisterschreeuw wordt per ommegaande ingewisseld voor serieuze decibellen: ’Neehee ik wil niet in mijn eigen bed!’ Nog voor ik adem kan halen voor een pedagogisch zeer overtuigende opmerking – iets als: ‘Jawel, je moet wel naar je eigen bed’ – ligt ze al onder ons dekbed. Ze draait zich op haar zij en vermijdt oogcontact. Ik zucht. Choose your battles, again. Mijn oogleden zijn zwaar, mijn voeten koelen af en ik wil maar één ding: slapen.

Ik kruip ook onder het dekbed en kijk mijn kind in het schemerdonker aan.‘Je gaat wel echt slapen hoor! Anders ga je naar je kamer.’‘Oké mam. Wil je mijn rug kriebelen?’ Ik zwicht voor zoveel schattigheid en kriebel haar rug. Haar ademhaling wordt rustig en ik voel dat ze wegglijdt naar kleuterdromenland. Ze blaast in mijn gezicht, met haar mondje half open. De verkoudheid is nog niet over. Ze riekt een beetje uit haar giecheltje maar het deert me niet. Ook ik glij weg en pak nog een paar uurtjes tot de wekker gaat.

Mijn kind kreunt en piept en rekt al haar ledematen uitgebreid uit. Ik doe iets soortgelijks. Maar nog voor ik goed wakker ben, zit ze bovenop me en roept dat ik een paard ben. ‘Hop mama hop!’ ‘Au! Iets zachter, je moeder heeft ook gevoel!’ Ik verplaats me in een bokkig paard en gooi mijn dochter van me af. Ze gilt het uit van plezier.

Als ze vannacht weer aan mijn bed staat en er is plek, weet ik dat ik opnieuw zal zwichten. Ik overweeg zelfs om mijn man preventief naar het logeerbed te sturen.

Droom

Gister en eergister bevond ik mij in een belegen maar luxueus hotel in Wolfheze, voor een training ‘praktische coachingsvaardigheden’. De ruimte waarin we training kregen was hoog, ruim en licht. Van de vier wanden bestonden er drie volledig uit glas. We keken uit op het groen en een paar dieren. Een witte zwaan, een zwarte zwaan, een hertje en ik meende zelfs een eekhoorn in de boom te hebben gezien (maar ik had mijn bril niet op, dus het kan ook een uit de kluiten gewassen mus zijn geweest).

De groep bestond uit slechts vier personen. Om elkaar wat beter te leren kennen, kregen we van de trainster de opdracht om duo’s te vormen en elkaar de vraag te stellen: ‘Wat is je grootste droom?’

Heel even baalde ik van die vraag. Of eigenlijk van het antwoord dat als eerste bij me opkwam. Want dat betekende dat ik deze mensen binnen een half uur na onze ontmoeting zou moeten vertellen dat ik een dode broer heb. Maar ik wist ook dat ik niet anders kon. Dus antwoordde ik: ‘Dat ik mijn boek afrond.’ En ja, de vraag die drie keer volgde was: ‘Waar gaat je boek over?’ Na mijn toelichting kreeg ik drie keer de reactie: ‘Heftig.’

Ook werd me gevraagd of het schrijven van een boek over de zelfdoding van mijn broer, een manier was om het te verwerken. Nee. Verwerken doe je zoiets niet, je leert ermee leven. Zo zie ik dat. En niet het boek maar mijn dagboek had voor mij destijds de functie van uitlaatklep. Daarin schreef ik zonder gene alle wanhoop en lelijkheid van me af. Ik vloekte en tierde als een malle in de beslotenheid van mijn eigen opgeschreven wereld. Het boek is de voor anderen leesbare variant daarvan. In de eerste plaats hoop ik daarmee herkenning en troost te bieden aan andere ervaringsdeskundigen. In de tweede plaats hoop ik het taboe op zelfdoding een beetje te helpen verminderen.

Naarmate de training vorderde, ontdekte ik dat de dood niet alleen voor mij een actueel thema was. Eén van mijn cursusgenoten had tijdens zijn tijd bij defensie geholpen bij de MH17-ramp. Samen met collega’s vloog hij de menselijke resten in lijkkisten naar Nederland. Een andere cursist had vorig jaar zomer haar vader verloren en was nu bezig een herdenkingsmoment te organiseren rond zijn eerste sterfdag.

Tijdens het oefenen coachte ik één van mijn medecursisten op een zussenthema. Tot mijn aangename verrassing vond ik dat niet pijnlijk en kreeg de cynische gedachte ‘jij hebt ten minste nog een zus’ geen ruimte.

Om met de slogan uit een uitzendbureaureclame te besluiten: het waren twee prachtige dagen. Niet alleen omdat ik bevestigd kreeg dat ik talent heb voor coaching (en dat hardop durf te zeggen) maar ook omdat ik het bijzonder vond om in korte tijd met drie vreemde mensen zo’n persoonlijk contact te krijgen. Natuurlijk, na deze dagen is het maar de vraag of je elkaar ooit nog ontmoet. Maar dat maakt niet uit. In het hier en nu, of toen en daar, was het waardevol om elkaar te ontmoeten en van elkaar te mogen leren.

Als mijn boek af is, ga ik me misschien maar eens oriënteren op het vak van coach. Een mens moet ten slotte wat te dromen hebben.

© 2019 Tamara

Thema gemaakt door Anders NorenBoven ↑